Waar moet een factuur aan voldoen?

image_pdfimage_print

Waar moet een factuur aan voldoen?

Een startende ondernemer krijgt via de Kamer van Koophandel en de belastingdienst de nodige informatie om de startende ondernemer op weg te helpen in een woud van allerlei administratieve regels. Begrijpelijk dat een aantal ondernemers zich daar niet in wil verdiepen. De startende ondernemer wil maar 1 ding en dat is aan de slag en geld verdienen.

Maar die regels zijn er natuurlijk niet voor niets en moeten worden nageleefd. Die regels zijn er niet om de ondernemer op te zadelen met extra werk. Die regels zijn onder andere om een gelijk speelveld te realiseren en het juist makkelijker en duidelijker te maken voor de ondernemer.

Zo heeft de belastingdienst een aantal regels opgesteld waaraan een factuur minimaal moet voldoen.

De navolgende zaken moet op een factuur worden vermeld.

  • NAW gegevens van het bedrijf;
  • IBAN nummer, K.v.K.- en btw- nummer;
  • Factuurnummer en factuurdatum;
  • Omschrijving van de dienst en/of product;
  • Het factuurbedrag en afhankelijk van de afnemer het btw- bedrag.

Verder moeten alle factuurnummers opeenvolgend zijn binnen hetzelfde boekjaar. Daarmee kan de debiteuren administratie gemakkelijk worden bijgehouden en is de kans op fouten het kleinst.

Inzake btw als voorbelasting. Bonnen tot € 100, – hoeven niet op naam zijn gesteld, daarboven wel. Denk aan bonnen van de bouwmarkt en dergelijke. Vraag op een op naam gestelde nota als de bon van de bouwmarkt € 100, – of meer is.

Overleg regelmatig met uw administrateur of raadpleeg de site van de belastingdienst om teleurstellingen en extra werk te voorkomen.

Rob Wilbrink, 15 februari 2016.

 

 

Prinsjesdag 2018

image_pdfimage_print

Op 18 september 2018 (Prinsjesdag) heeft het kabinet haar plannen voor 2019 bekendgemaakt. In dit artikel vatten we de voor medewerkers in de financiële dienstverlening meest relevante onderwerpen van de overheidsplannen samen. De dagen na Prinsjesdag volgen stevige discussies over de inhoud (de Algemene Politieke Beschouwingen). De ervaring leert dat er op basis van deze discussies nog veel kan veranderen. Wat in deze samenvatting wordt genoemd, is dus allerminst een absolute zekerheid. De komende dagen zullen er (kortere) berichten voor enkele andere Wft-modules worden gepubliceerd.

Troonrede – “Meer mensen moeten merken dat het goed gaat”
Na een tocht door Den Haag in de glazen koets, sprak de Koning de door het kabinet opgestelde Troonrede uit voor de leden van de Staten Generaal.

Koning Willem-Alexander refereerde aan het feit dat het volgend jaar 75 jaar geleden is (1944) dat grote delen van het land zijn bevrijd van de bezetter. Sindsdien is Nederland steeds sterker geworden in termen van welvaart, ondernemerschap en bestaanszekerheid. Ook economisch gaat het goed: 2019 is het zesde opeenvolgende jaar van groei. Het nationaal inkomen groeit naar verwachting met 2,6% en er is een begrotingsoverschot van 1%. De werkloosheid is historisch laag, met 3,5%.

Toch is een steeds beter land niet vanzelfsprekend. Vertrouwen in de toekomst is werk in uitvoering. De regering richt zich daarbij op ‘een hechte samenleving’. Daarom wordt aandacht besteed aan onder meer:

  • Eenzaamheid onder ouderen
  • Mensen met problematische schulden, met verward gedrag of zwerfjongeren
  • Cultureel erfgoed (€ 325 miljoen extra de resterende kabinetsperiode)
  • Integratie van statushouders

Verder is er een toename in koopkracht, volgens de Troonrede, die de kracht van de samenleving versterkt. Er komt bovendien een Wet Arbeidsmarkt in Balans, die schijnzelfstandigheid tegengaat, en werkgevers minder huiverig moet maken vast personeel aan te nemen. Ook mensen met een arbeidsbeperking moeten meer aan de slag. Overige punten uit de Troonrede:

  • Er komt overleg over het pensioenstelsel.
  • Het vestigingsklimaat voor bedrijven is belangrijk, reden om de dividendbelasting af te schaffen.
  • De zorguitgaven zijn nu al 25% van alle collectieve uitgaven; daarom zijn er akkoorden met stakeholders over kwaliteit en betaalbare zorg gemaakt.
  • Extra geld voor:
  • Infrastructuur.
  • Onderwijs.
  • Veiligheid (politie en defensie).
  • Aandacht voor de oververhitte woningmarkt.
  • De noodzaak van toekomstgericht klimaatbeleid.

Koopkrachtontwikkeling
In de Miljoenennota en Rijksbegroting 2019 gaan veel mensen erop vooruit, mede door geleidelijke invoering van een tweeschijvenstelsel in de Inkomstenbelasting (zie verderop). De regering stelt dat de koopkracht gemiddeld stijgt met 1,5%. Het Nibud berekent dat de koopkracht kan stijgen of dalen, afhankelijk van de persoonlijke situatie. Het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting noemt de koopkrachtontwikkelingen ‘grillig’.

Koopkrachtontwikkeling voor 2019 (bedragen netto per maand)
Bron: Nibud Procentueel In euro’s per maand
1. Paar, twee kinderen, bijstand + 1,3% + € 30
2. Alleenstaande, modaal, bruto jaarinkomen € 35.000 + 2,0% + € 43
3. Paar, 1 kind, alleenverdiener, bruto jaarinkomen € 40.000 + 1,2% + € 30
4. Paar 1 kind, tweeverdiener, bruto jaarinkomen € 25.000 en € 10.000 – 0,9% – € 26
5. Paar, 2 kinderen tussen de 0 en 12, alleenverdiener, bruto jaarinkomen € 75.000 + 0,5% + € 22
6. Paar, 2 kinderen tussen de 0 en 12, tweeverdiener, bruto jaarinkomens € 45.000 en € 25.000 + 1,2% + € 59
7. Paar, 2 kinderen tussen de 0 en 12, tweeverdiener, bruto jaarinkomens € 45.000 en € 25.000, 3 dagen bso + 2,0% + € 96
8. Alleenstaande ouderen, AOW, zonder aanvullend pensioen + 0,9% + € 13
9. Paar, AOW-gerechtigd met aanvullend pensioen, bruto jaarinkomen 2 x AOW + € 15.000 en € 10.000 aanvullend pensioen + 0,2% + € 5

Belangrijke kanttekeningen
Voor veel inwoners zou er een koopkrachtstijging zijn, maar juist voor lagere inkomens kan dit tegenvallen, zo stelt het Nibud. Dit is een gevolg van verhoging per 1 januari 2019 van het lagere BTW-tarief (van 6% naar 9%). Dit tarief geldt voor noodzakelijke uitgaven, zoals voeding, vervoer, kappers, et cetera. Verlaging van de tarieven inkomstenbelasting weegt voor sommige groepen (zeker met meerdere kinderen) daardoor niet op tegen de hogere uitgaven.

Verder stijgt de zorgpremie en wordt de belasting op energie met 50% verhoogd.

Een belangrijke kanttekening is te maken bij de koopkrachtberekeningen die uitgaan van een inflatie van 2,4% is en een loonstijging van 3,0%. Stijgt het loon niet, dan daalt de koopkracht dus, omdat deze circa 3% lager wordt dan de hierboven genoemde toenames. Overigens worden in de diverse Prinsjesdagstukken ook andere percentages genoemd (2,5% inflatie en 2,9% loonstijging, bijvoorbeeld). De koopkrachtplaatjes zijn echter gebaseerd op de eerder genoemde percentages. 

Inkomstenbelasting 2019
De tariefschijven in de inkomstenbelasting worden aangepast, zodat er naar een tweeschijvenstelsel wordt toegewerkt. Het tarief in de eerste schijf gaat licht omhoog (0,1%), maar daalt in 2019 in de tweede en derde schijf sterk (met 2,75%). Ook het tarief van de hoogste schijf gaat iets naar beneden (0,2%). De grens om in het hoogste tarief van de inkomstenbelasting te komen, ligt in 2019 op € 68.507 (gelijk aan 2018). Voorbeeld  tarieven inkomstenbelasting. Een belastingplichtige (jonger dan de AOW-leeftijd) verdient € 60.000 bruto per jaar.

De verschuldigde inkomstenbelasting in 2018 bedraagt:

1e schijf:             € 20.142 x 36,55% =                                 €   7.361
2e schijf:             (€ 33.994 -/- € 20.142) x 40,85% =           €   5.658
3e schijf:             (€ 60.000 -/- € 33.994) x 40,85% =           € 10.623
4e schijf:                            nihil x 51,95%                                  nihil
Totaal:                                                                                   € 23.642

De verschuldigde inkomstenbelasting in 2019 bedraagt:

1e schijf:              € 20.384 x 36,65% =                                 €   7.470
2e schijf:              (€ 34.300 -/- € 20.384) x 38,10% =           €   5.301
3e schijf:              (€ 60.000 -/- € 34.300) x 38,10% =           €   9.791
Totaal:                                                                                   € 22.562

Verschil: € 1.080 minder inkomstenbelasting in 2019.

Op basis van deze berekening lijkt de koopkracht voor deze persoon met € 90 per maand toe te nemen. Hij is immers in beginsel € 1.080 minder inkomstenbelasting verschuldigd. Toch ligt het genuanceerder.

Heffingskortingen 

Algemene heffingskorting
Een ander belangrijk onderdeel van de inkomstenbelasting, is het systeem van de heffingskortingen. Er zijn vele verschillende heffingskortingen. De maximale algemene heffingskorting wordt verhoogd van € 2.265 naar € 2.477, en de afbouw van deze heffingskorting (voor inkomens boven de € 20.384) gaat sneller dan in 2018.

Voorbeeld afbouw algemene heffingskorting bij een bruto inkomen van € 60.000, is de algemene heffingskorting:

In 2018: In 2019:
Het maximum van € 2.265 -/- de afbouw.
De afbouw bedraagt 4,683% over het inkomen boven de € 20.142. Dat is 4,683% x € 39.858 = € 1.867.
Totale algemene heffingskorting: € 2.265 -/- € 1.867 = € 398.
Het maximum van € 2.477 -/- afbouw.
De afbouw bedraagt 5,147% over het inkomen boven de € 20.384. Dat is 5,147% x € 39.616 = € 2.039.
Totale algemene heffingskorting: € 2.477-/- € 2.039 = € 438.

De algemene heffingskorting voor iemand met een inkomen van € 60.000 neemt dus toe met € 40.

Arbeidskorting
De arbeidskorting gaat omhoog van € 3.249 naar € 3.399. De arbeidskorting neemt met 6% af boven een inkomen van € 34.060. In 2018 is de afname nog beperkt tot 3,6%.

Voorbeeld afbouw arbeidskorting bij een bruto inkomen van € 60.000, is de arbeidskorting:

In 2018: In 2019:
Het maximum van € 3.249 -/- afbouw.
De afbouw is 3,6% over het inkomen boven de € 33.112. Dat is 3,6% x € 26.888 = € 967.
De arbeidskorting bedraagt dus € 3.249 -/- € 967 = € 2.282.
Het maximum van € 3.399 -/- afbouw.
De afbouw is 6% over het inkomen boven de € 34.060. Dat is 6% x € 25.940 = € 1.556.
De arbeidskorting bedraagt dus € 3.399 -/- € 1.556 = € 1.843.

De arbeidskorting in 2019 is dus € 439 lager dan in 2018.

Een alleenstaande met een inkomen van € 60.000 gaat er op vooruit in 2019:

Effect tarieven inkomstenbelasting:  + € 1.080 (minder IB, meer inkomen)
Effect Algemene heffingskorting:  + €     40
Effect Arbeidskorting: -/- €   439
Totaal:  + €    681

Dat is een vooruitgang van 1,87% op het netto inkomen. Bij een inflatie van 2,4% zou dit een achteruitgang zijn. Vandaar dat de overheid uitgaat van een loonstijging van 3,0%. Deze belastingplichtige moet ook nog zijn boodschappen doen en de zorgpremie betalen, net als zijn energierekening. Die drie grote uitgavenposten nemen allen toe. Daarmee wordt rekening gehouden in de koopkrachtmeting.

Ouderenkorting
De ouderenkorting voor pensioengerechtigden met een laag inkomen, gaat € 178 omhoog naar € 1.596 (2018: €1.418). Wel wordt vanaf 2019 voor het eerst de ouderenkorting afgebouwd en wel met 15% voor zover het inkomen uitkomt boven de € 36.783.

Inkomensafhankelijke combinatiekorting
Overige heffingskortingen veranderen nauwelijks in hoogte. Wel zal de Inkomensafhankelijke Combinatiekorting (IACK) niet meer gelden voor iemand met een uitkering in het kader van de Ziektewet. Nu al geldt de IACK niet voor iemand in de WW. Als iemand in de WW ziek wordt, krijgt hij een ZW-uitkering, waarvoor de IACK weer wel geldt en hij er netto op vooruit gaat. Dat verschil vindt de regering vreemd. Daarom krijgt iemand in de ZW vanaf 2019 geen recht meer op IACK.

Bovendien verandert de opzet van de IACK. In 2018 is er nog een basisbedrag van € 1.052, die boven een bepaald inkomen toe kan nemen tot maximaal € 2.801.

In 2019 verdwijnt het basisbedrag. De IACK begint op € 0 en neemt dan toe met 11,45% van het inkomen tot maximaal € 2.801.

Recht op heffingskortingen voor buitenlandse belastingplichtigen
Het recht op heffingskortingen voor buitenlands belastingplichtigen wordt beperkt. Hierdoor hebben buitenlands belastingplichtigen meestal minder recht op heffingskortingen vanaf 2019.

De totale belastingdruk stijgt in 2019 naar 39,2% (2018: 38,6%; in 2013 was dit nog maar iets meer dan 33%). In de 39,2% belastingdruk zit wel de BTW-verhoging verdisconteerd.

Afbouw aftrektarief vanaf 2020
Er zijn diverse aftrekbare kosten (aftrekbaar van het belastbaar inkomen in box 1). Vanaf 2020 wordt het tarief waarover aftrek mogelijk is, versneld afgebouwd voor:

  • Aftrekbare kosten eigen woning (was al deels voorzien).
  • Ondernemersaftrek.
  • MKB-winstvrijstelling.
  • Terbeschikkingstellingvrijstelling.
  • Persoonsgebonden aftrek (zoals alimentatie).

Verloop beperken aftrektarief 2018 t/m 2023

Jaar 2018  2019  2020  2021  2022  2023 
Maximaal aftrektarief aftrekbare kosten eigen woning 49,5% 49,0% 46,0% 43,0% 40,0% 37,05%
Maximaal aftrektarief andere grondslagverminderende posten (werkt pas vanaf 2020) 51,95% 51,75% 46,0% 43,0% 40,0% 37,05%

De aftrek zal in 2023 beperkt zijn tot het tarief van de eerste schijf (37,05%).

Volledig tweeschijvenstelsel  vanaf 2021
Vanaf 2021 zijn er nog maar twee belastingschijven: van 37,05% tot een inkomen van € 68.507 (vorig jaar ging de regering overigens nog uit van een eerste schijf van 36,93%). Daarboven is het tarief 49,5%. Daarbij moet men er rekening mee houden dat de grens waarop het hoogste tarief bereikt wordt, van 2018 tot en met 2024 wordt bevroren. Die grens blijft dus € 68.507. Deze bevriezing raakt hiermee circa 90.000 huishoudens.

Voor AOW-gerechtigden geldt nog wel een drieschijvenstelsel, omdat zij geen premies volksverzekeringen hoeven af te dragen.

Verhogen zorgtoeslag en kindregelingen
De zorgtoeslag wordt verhoogd voor lage inkomens. De verhoging is voor een stel echter veel hoger dan voor een alleenstaande. Voor beiden wordt de zorgtoeslag verhoogd vanwege de hogere zorgpremie, maar vervolgens wordt daar € 3 per jaar voor een alleenstaande op in mindering gebracht. Een stel krijgt er maximaal  € 92 per jaar bij. De inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet wordt daarentegen verhoogd naar 5,7% (2018: 5,65%).

Tot slot worden de Kinderbijslag en het Kindgebonden budget licht verhoogd. De kinderopvang zelf moet minder gaan kosten in de plannen van de regering.

Vermogensrendementsheffing 2019
Hoewel er herhaaldelijk op is aangedrongen om het werkelijke rendement op vermogen te belasten, zal dat in 2019 nog niet gebeuren. Wel zijn de fictieve rendementen in de 2 rendementsklassen (sparen en beleggen) gepubliceerd, op grond waarvan het belast inkomen uit vermogen wordt vastgesteld.

Het rendement op sparen wordt op 1 januari 2019 gesteld op 0,13% (2018: 0,36%).

Het rendement op beleggingen wordt op 1 januari 2019 gesteld op 5,60% (2018: 5,38%).

Omdat ook de vrijstelling verhoogd wordt naar € 30.360 (2018: € 30.000), en de grens van de tarieven wordt geïndexeerd, ziet de vermogensrendementsheffing er vanaf 2019 als volgt uit:

Vermogen boven vrijstelling van € 30.360 Gemiddeld rendement Belastingdruk (30%)
0 – € 71.650 1,94% (2018: 2,02%) 0,582% (2018: 0,606%)
€ 71.651 – € 989.736 4,45% (2018: 4,33%) 1,335% (2018: 1,299%)
Meer dan € 989.736 5,60% (2018: 5,38%) 1,680% (2018: 1,614%)

Sociale zekerheid
Er is weinig groot nieuws op het gebied van sociale zekerheid. De huidige belangrijkste Sociale Zekerheidswetten, zoals AOW, Anw, WIA en WW, veranderen niet. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaat wel een actieplan opzetten om de krapte op de arbeidsmarkt aan te pakken. Overige globale punten binnen de Sociale Zekerheid zijn:

  • Wetsvoorstel Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB). Die moet voorkomen dat een werkgever die ‘fatsoenlijk’ met zijn werknemers omgaat, concurrentienadeel ondervindt van bedrijven die constructies bedenken om lonen te drukken en risico’s af te wentelen Voorbeelden van genoemde maatregelen in de WAB zijn:
    • Risico’s van het aannemen van vast personeel wegnemen voor werkgevers (zoals loondoorbetaling bij ziekte);
    • Compensatie van de transitievergoeding (voor kleine werkgevers) als de plicht deze te betalen het gevolg is van bedrijfsbeëindiging, pensionering of ziekte.
    • Verruimde mogelijkheden met een proeftijd;
    • Lagere WW-premie voor vaste dan voor flexibele werknemers;
    • (Nog) meer mogelijkheden om af te wijken van de ketenbepaling (waardoor iemand minder snel vast in dienst komt);
    • Payroll-organisaties mogen niet afwijken in arbeidsvoorwaarden.
  • Er komt een plan om zelfstandigen en hun opdrachtgevers meer duidelijkheid te geven over hun positie op de arbeidsmarkt (wel of geen dienstbetrekking). Onderzoek naar de mogelijkheden ter verduidelijking, loopt nog.
  • Hetzelfde geldt voor het plan om het Pensioenstelsel te herzien.
  • Er komen allerlei actieplannen om mensen meer ‘mee te laten doen’: dit geldt voor werklozen, arbeidsbeperkten en immigranten met een verblijfsvergunning/statushouders.
  • Hoewel de minister aangeeft dat werken ook moet leiden tot minder mensen met schulden, wordt er ook opnieuw bekeken hoe problematische schulden beter voorkomen kunnen worden.
  • Partners krijgen één week geboorteverlof als hun vrouw of vriendin net is bevallen. Dit doorbetaalde verlof is nu nog twee dagen. Ook mogen ze het eerste half jaar vijf weken onbetaald vrij nemen met recht op een UWV-uitkering van 70 % van hun loon. Met een maximum van € 3.185 per maand. Vanaf juli 2020.

Bron: https://www.consis-pa.nl/artikel/10167-prinsjesdag-basis.html

Tussentijds opzeggen telefoonabonnement. Kosten € 3.000, –

image_pdfimage_print

Tussentijds opzeggen telefoonabonnement. Kosten € 3.000, –

Een kleine zelfstandige stapt over naar een andere maatschappij met nummerbehoud en daarmee met toestemming van de oude maatschappij. Volgens de algemene voorwaarden moet de kleine zelfstandige kosten betalen van, schrik niet, € 3.000, – kan dit zomaar?

Naar mijn mening niet, er is sprake van reflectwerking, dan kan de kleine ondernemer worden beschouwd als consument en er sprake van een open norm. Deze zaak is trouwens geschikt, beide partijen wilden niet procederen. Kijk goed in de “kleine lettertjes” en als het u toch overkomt, laat u juridisch adviseren.

Begunstigde en nalatenschap

image_pdfimage_print

Begunstigde en nalatenschap

Veel huishoudens hebben een levensverzekering of een overlijdensrisico verzekering afgesloten, om de overblijvende partner financieel goed achter te laten. Het is van groot belang om de begunstigde goed te omschrijven en af te stellen op het doel van de verzekering. Er zijn diverse mogelijkheden op fiscaal als erfrechtelijk gebied. Een goede omschrijving kan veel geld schelen en eventuele problemen met erfgenamen voorkomen.

Nalatenschap en erfenis

Een uitkering van een overlijdensrisico verzekering(ORV) kan zowel binnen de nalatenschap als buiten de nalatenschap vallen. In het geval van een ORV is er sprake van de verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde en premie betaler.

Huwelijk.

Voorbeeld 1: Rob en Marijn zijn gehuwd in gemeenschap van goederen, er is geen testament en zij hebben beide een kind uit een vorig huwelijk. Rob sluit een ORV af bij maatschappij X en Rob is de verzekeringnemer, de premiebetaler, de verzekerde en Marijn is de begunstigde. In geval van het overlijden van Rob, zal de uitkering naar Marijn gaan, zij is immers de begunstigde. In dit geval, valt de uitkering buiten de nalatenschap van Rob. Marijn heeft als begunstigde de uitkering gekregen op grond van een overeenkomst(HR: Weduwe Veltman).

De standaard begunstiging is:

  1. verzekeringnemer;
  2. echtgeno(o)t(e) of partner van de verzekeringnemer;
  3. kinderen van de verzekeringnemer;
  4. andere erfgenamen van de verzekeringnemer.
Samenwonen.

Voorbeeld 2: Rob en Marijn gaan samenwonen, er is geen testament en zij hebben beide een kind uit een vorig huwelijk. Rob heeft ten tijde van zijn huwelijk een ORV afgesloten bij maatschappij X en Rob is de verzekeringnemer, de premiebetaler en er is sprake van een standaard begunstiging. In geval van overlijden zal de uitkering naar de weduwe gaan, Er is in dit voorbeeld nu geen sprake van een weduwe. De uitkering gaat nu naar het kind van Rob. Als dit bedoeling was, is dat prima, maar als de uitkering voor de overblijvende partner was bedoeld, dan gaat het mis. Het is van belang de begunstiging aan te passen aan de gewenste situatie.

Partnerverklaring.

Veelal wordt een ORV gesloten als dekking voor een hypotheekschuld. De hypotheekverstrekker verlangt een dekking bij overlijden van een schuldenaar. De uitkering dient te worden gebruikt ter aflossing van de hypotheekschuld of een deel ervan. Dat kan d.m.v. verpanding van de uitkering aan de verzekeraar. Dat betekent dat de uitkering rechtstreeks wordt gebruikt om de hypotheekschuld te verlagen. Het kan ook via een zogenoemde partnerverklaring waarbij de overblijvende partner verklaart de verkregen uitkering te gebruiken om de hypotheekschuld daarmee te verlagen. In beide gevallen valt de uitkering buiten de nalatenschap en toch beïnvloedt het de hoogte van de nalatenschap.

In geval van verpanding aan de hypotheekverstrekker, zal de hypotheekschuld direct worden verlaagd. dit betekent een lagere hypotheekschuld en dus een hoger vermogen en daarmee nalatenschap.

In geval van een partnerverklaring krijgt de weduwe de uitkering en zij zal met die uitkering de hypotheek verlagen. Op het oog lijkt er geen verschil met de bovenstaande situatie, maar is wel degelijk een verschil. De verlaging van de hypotheekschuld wordt nu gedaan door eigen geld die de weduwe van de verzekeraar heeft gekregen, de erfgenamen krijgen daardoor een voordeel van een lagere hypotheekschuld en daardoor een hogere nalatenschap. De weduwe krijgt hierdoor een vordering op de erfgenamen ter grootte van het bedrag van de verzekeringsuitkering.

Zonder partnerverklaring.

Voorbeeld 1: Rob en Marijn zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Ze hebben een gezamenlijke woning met een waarde van € 300.000, – en hun hypotheekschuld is € 250.000, -. Het verzekerd bedrag van de ORV is € 150.000, -. De ORV is verpand aan de hypotheekverstrekker zonder partner verklaring. In het geval van overlijden van Rob, wordt de uitkering van € 150.000, – direct aangewend ter aflossing van de hypotheekschuld. De nalatenschap van Rob is dan 50% van de waarde van de woning minus de hypotheekschuld. 50%(300.000-(250.000-150.000)) is € 100.000, – Dit bedrag zal worden verdeeld aan de weduwe en kinderen.Elk een derde deel van € 100.000, -. De kinderen krijgen een vordering op Marijn op grond van de langstlevende partner en Marijn krijgt een voordeel van een lagere schuld. Marijn hoeft geen erfbelasting te betalen door de hoge vrijstelling voor gehuwden. De kinderen worden wel belast met erfbelasting.

Met partnerverklaring.

Voorbeeld 2: Rob en Marijn zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Ze hebben een gezamenlijke woning met een waarde van € 300.000, – en hun hypotheekschuld is € 250.000, -. Het verzekerd bedrag van de ORV is € 150.000, -. De ORV is verpand aan de hypotheekverstrekker met partner verklaring. In het geval van overlijden van Rob, wordt de uitkering van € 150.000, – aan Marijn uitgekeerd die op haar beurt de hypotheekschuld met deze uitkering verlaagt. De nalatenschap van Rob is dan 50% van de waarde van de woning minus de hypotheekschuld. 50%(300.000-250.000) is € 50.000, – Dit bedrag zal worden verdeeld aan de weduwe en kinderen. Elk een derde deel van € 50.000, -. De kinderen krijgen een vordering op Marijn op grond van de langstlevende partner en Marijn krijgt een voordeel van een lagere schuld. Marijn hoeft geen erfbelasting te betalen door de hoge vrijstelling voor gehuwden. De kinderen worden nu lager belast met erfbelasting over een bedrag van 1/3(50.000) i.p.v. 1/3(100.000).

Het komt erop neer dat de combinatie van verzekeren, wensen, nalatenschap en belastingen, maatwerk is. Breng de wensen en het doel goed in kaart en laat je goed adviseren.

R.E. Wilbrink, 10 februari 2017.