image_pdfimage_print

Wijzigingen per 1 januari 2017

Wijzigingen per 1 januari 2017

Op 1 januari 2017 zijn enkele wetten aangepast, die van invloed zijn op het geven van een passend financieel advies. In dit bericht geven we, met betrekking tot de module Basis, daarvan een beknopt overzicht. De komende dagen wordt de nieuwe wetgeving voor de andere modules gepubliceerd.

 

 

 

Werk en Inkomen

Wettelijk minimumloon en uitkeringsbedragen
De bruto bedragen van het wettelijk minimumloon en het minimumjeugdloon zijn per 1 januari 2017 gestegen. De meeste uitkeringen, zoals de AOW, Bijstandsuitkering en de Wajong, zijn ook gewijzigd. Deze uitkeringen zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon.

Maximum dagloon
Het maximum dagloon is verhoogd, waardoor ook de maximale uitkeringen in het kader van WW of WIA verhoogd.

Tarieven box 1

De tarieven voor de inkomstenbelasting in box 1 zijn voor 2017 als volgt:

Jonger dan AOW-leeftijd
  Belastbaar inkomen meer dan doch niet meer dan totaal tarief heffing over totaal van de schijven
Eerste schijf € 19.982 36,55% €   7.303
Tweede schijf € 19.982 € 33.791 40,80% € 12.937
Derde schijf € 33.791 € 67.072 40,80% € 26.515
Vierde schijf € 67.072   52%  
AOW-leeftijd en ouder geboren vanaf 1 januari 1946
  Belastbaar inkomen meer dan doch niet meer dan totaal tarief heffing over totaal van de schijven
Eerste schijf € 19.982 18,65% € 3.726
Tweede schijf € 19.982 € 33.791 22,90% € 6.888
Derde schijf € 33.791 € 67.072 40,80% € 20.466
Vierde schijf € 67.072   52%  
AOW-leeftijd en ouder geboren voor 1 januari 1946
  Belastbaar inkomen meer dan doch niet meer dan totaal tarief heffing over totaal van de schijven
Eerste schijf € 19.982 18,65% € 3.726
Tweede schijf € 19.982 € 34.130 22,90% € 6.965
Derde schijf € 34.130 € 67.072 40,80% € 20.405
Vierde schijf € 67.072   52%  

 

Een deel van de te betalen belasting bestaat uit premies volksverzekeringen. Het tarief voor deze premies volksverzekeringen is in totaal 27,65% (2016: 28,15%). De premies volksverzekeringen bestaan uit premies voor de AOW (17,9%), Anw (0,1%) en Wlz (9,65%). De verlaging van de premies komt geheel voor rekening van de Anw-premie (2016: 0,5%).

Wijzigingen heffingskortingen

  • De algemene heffingskorting is maximaal € 2.254 (2016: € 2.242). Voor zover het belastbaar inkomen hoger is dan € 19.982 wordt deze heffingskorting verlaagd met 4,787% (2016: 4,822%). Voor inkomens van € 67.068 of meer betekent dit dat de algemene heffingskorting nihil is.
    Als er een minder of niet verdienende partner is, kan deze de algemene heffingskorting deels zelf verkrijgen. Het percentage waarop de minst verdienende partner zelfstandig recht heeft is maximaal 40% (of wel € 902), maar nooit meer dan wat de meest verdienende partner nog als inkomstenbelasting is verschuldigd.
  • De arbeidskorting is maximaal € 3.223 (2016: € 3.103). Voor zover het belastbaar inkomen hoger is dan € 32.444 wordt deze heffingskorting verlaagd met 3,6% (2016: 4%). Voor inkomens boven de € 121.971 is de arbeidskorting nihil. Voor belastbare inkomens tot € 20.108 is de arbeidskorting lager dan het maximum.
  • De inkomensafhankelijke combinatiekorting voor inkomens vanaf € 4.895 is maximaal € 1.043 (2016: € 1.039). Voor zover het belastbaar inkomen hoger is dan € 4.895 wordt de korting verhoogd met 6,159% (ongewijzigd) tot maximaal € 2.778 (2016: € 2.769). Dit maximum wordt bereikt bij een belastbaar inkomen van € 33.065.

Kindregelingen
Voor gezinnen met kinderen zijn de volgende kindregelingen aangepast:

  • Het Kindgebonden budget is € 1.142 (2016: € 1.038) voor het eerste kind. Voor het tweede kind  is dit      € 895 (2016: € 830) en voor het derde en volgende kind € 285 (2016: € 284) per kind.
  • De Kinderopvangtoeslag is ook verhoogd. Het maximumtarief (afhankelijk van de instelling die de opvang regelt) is € 7,18 per uur (2016: € 6,89).

Wijzigingen box 3
Het forfaitaire rendement op vermogen wordt vanaf 2017 anders vastgesteld dan in de jaren van 2001 tot en met 2016. Tot en met 2016 werd uitgegaan van een rendement van 4% over het vermogen, dat tegen 30% werd belast. Vanaf 2017 wordt uitgegaan van een rendement op vermogen dat afhankelijk is van de hoogte van dat vermogen. Het uitgangspunt daarbij is dat hoe hoger iemands vermogen is, des te groter het deel is dat belegd wordt. Omdat beleggen een hoger rendement zou opleveren dan sparen, wordt het rendement voor hogere vermogens geacht ook hoger te zijn.

Het rendement op sparen wordt gesteld op 1,63%. Het rendement op beleggen wordt gesteld op 5,39%. Er geldt een vrijstelling van € 25.000 (2016: € 24.437) per belastingplichtige. Dat leidt tot de volgende staffels:

Grondslag sparen en beleggen

(na aftrek vrijstelling)

Spaardeel (1,63%) Beleggingsdeel (5,39%) Forfaitair rendement Effectieve belasting (30%)
Tot en met € 75.000 67% 33% 2,87% 0,86%
Van € 75.000 tot en met € 975.000 21% 79% 4,60% 1,38%
Vanaf € 975.000 0% 100% 5,39% 1,62%

 

Naast de eerder genoemde algemene vrijstelling, geldt een extra vrijstelling voor groene beleggingen van € 57.385 (2016: € 57.213). Ook voor een uitvaart- of overlijdensrisicoverzekering in box 3 geldt een extra vrijstelling van € 6.977 (2016: € 6.956) per belastingplichtige. Tot slot geldt er een vrijstelling van contant geld van € 522 (2016: €520) per belastingplichtige.

Schulden komen in mindering op de grondslag sparen en beleggen, waarbij de eerste € 3.000 per belastingplichtige niet als schuld telt (ongewijzigd ten opzichte van 2016).

Vanaf 2017 geldt dat verplichtingen in de vorm van kinderalimentatie niet meer kunnen worden opgegeven als schuld in box 3.

Wonen

Eigenwoningforfait
De tarieven voor de bijtelling van het eigenwoningforfait blijven ongewijzigd voor alle woningen. Ook voor woningen met een WOZ-waarde boven de € 1.060.000 blijft het bijtellingspercentage in 2017 gelijk aan dat van 2016.  

Maximale belastingtarief hypotheekrenteaftrek omlaag
Vanaf 2014 daalt het maximale belastingtarief waartegen hypotheekrente kan worden afgetrokken met 0,5%.Voor 2017 geldt een maximaal aftrekpercentage van 50%.

Extra verhoogde schenkingsvrijstelling
In 2014 was het mogelijk onbelast € 100.000 te schenken ten behoeve van de eigen woning. Sinds 1 januari 2015 is deze extra vrijstelling vervallen. In 2017 is deze echter weer verhoogd voor iedere ontvanger tussen de 18 en 40 jaar, mits hij de schenking benut voor de eigen woning.

De schenking mag bovendien worden gespreid over 3 opeenvolgende kalenderjaren.

Er geldt wel een ingewikkelde overgangsregeling: ontvangers van een schenking die al eerder een schenking hebben gekregen, kunnen hierdoor gekort worden op de vrijstelling.

Zorg

Verplicht eigen risico blijft gelijk op € 385
In 2017 bedraagt het verplicht eigen risico van de zorgverzekering € 385 (ongewijzigd). Dit eigen risico geldt voor alle verzekerden vanaf 18 jaar.

Wijzigingen zorgtoeslag in 2017
De zorgtoeslag is in 2017 maximaal € 88 (2016: € 83) per maand voor alleenstaanden en € 170 (2016: € 158) voor iedereen met een toeslagpartner. De toeslag vervalt voor alleenstaanden boven een inkomen van € 27.500 en voor partners met een gezamenlijk inkomen boven de € 35.000.

Ook boven een bepaald vermogen geldt dat er geen recht meer bestaat op zorgtoeslag.

Maximum bijdrage-inkomen Zorgverzekeringswet (Zvw) verandert
In 2017 bedraagt het maximum bijdrage-inkomen voor de Zvw op jaarbasis € 53.697 (2016: € 52.763). Het percentage inkomensafhankelijke hoge bijdrage voor de Zvw is gedaald naar 6,65% (2016: 6,75%). Verzekeringsplichtigen (lage bijdrage) zijn in 2017 5,4% (2016: 5,5%) verschuldigd over hun bijdrage-inkomen tot een maximum van € 2.899 (2016: € 2.901). Dit lagere percentage geldt onder meer voor zelfstandigen, AOW’ers, ondernemers en pensioengerechtigden.

Toekomstvoorzieningen

Verhoging AOW-leeftijd
De AOW-leeftijd wordt in stapjes verhoogd naar 67 jaar en 3 maanden in 2022. Vanaf 1 januari 2017 is de AOW-leeftijd 65 jaar en 9 maanden. Dat wil zeggen dat iedereen die is geboren na 30 juni 1951 en voor 1 april 1952 in 2017 recht krijgt op AOW.

Verhoging aftoppingsgrens lijfrente- en pensioenopbouw
Sinds 2015 is het inkomen waarover bruto pensioen of een bruto lijfrente opgebouwd kan worden gemaximeerd. Het maximum inkomen waarover bruto lijfrente- en pensioenopbouw mogelijk is, is in 2017 verhoogd tot € 103.317 (2016: € 101.519).

Verkorting duur WW-uitkering en WGA-uitkering
Sinds 2016 wordt de maximale WW-duur per kwartaal verlaagd. Tot 2016 was de maximale duur nog 38 maanden. Iemand die in het eerste kwartaal van 2017 wordt ontslagen, krijgt nog maximaal 33 maanden WW. Hetzelfde geldt voor iemand die in het eerste kwartaal van 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangt.

Aanpassing Wet Werk en Zekerheid (WWZ)
Sinds 1 januari 2015 is de WWZ (deels) in werking getreden. Een half jaar later zijn andere delen van de wet in werking getreden. Het doel van deze wet was onder meer om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken werknemers in vaste dienst te nemen. De wet blijkt echter averechts te werken. De wet is daarom op bepaalde punten aangepast in de loop van 2016. Voor de Basisadviseur is het op dit moment relevant de volgende zaken te weten:

  • Wat de ketenbepaling inhoudt
    Werkgevers kunnen werknemers een tijdelijk contract aanbieden. Na afloop van dat contract, kan worden besloten of er opnieuw een tijdelijk contract wordt aangeboden of niet. Om onzekerheid bij werknemers over verlenging van hun contract weg te nemen, geldt de ‘ketenbepaling’. Dat wil zeggen dat een werknemer automatisch in vaste dienst komt (voor onbepaalde tijd) wanneer:

    • meer dan 3 elkaar opvolgende tijdelijke contracten zijn afgesloten; of
    • langer dan 2 jaar gebruik gemaakt is van elkaar opvolgende tijdelijke contracten.
    • Wat de voorgenomen route voor ontslag is
      Voor werkgevers was er tot 1 juli 2015 soms onduidelijkheid over de te volgen route van ontslag. Sinds 1 juli zijn er twee mogelijkheden:

      • Ontslagroute via het UWV – dit kan alleen bij ontslag vanwege bedrijfseconomische omstandigheden of vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid
      • Ontslagroute via de kantonrechter – voor alle andere gevallen.
      • Wat de transitievergoeding inhoudt
        Bij ontslag is door invoering van de WWZ vastgesteld op welke ontslagvergoeding een ontslagen werknemer recht heeft. Dit heet sindsdien een transitievergoeding. Werknemers die minimaal 2 jaar in dienst zijn geweest hebben recht op een transitievergoeding (dus ook werknemers met tijdelijke contracten die dan aflopen).
        De hoogte van de transitievergoeding is afhankelijk van het aantal dienstjaren van de ontslagen werknemer. De eerste 10 jaar geldt dat de transitievergoeding 1/3e van het maandsalaris is per gewerkt jaar. Voor de jaren daarboven geldt ½ maandsalaris per dienstjaar. De maximale transitievergoeding is in 2017 € 77.000 (2016: € 76.000).

Overige relevante wijzigingen

  • Op 1 april 2016 is de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) ingegaan. Vanwege de onduidelijke en onwenselijke gevolgen van de invoering van deze wet, is handhaving van deze wet uitgesteld tot in elk geval 2018. Het arbeidsrecht waarnaar deze nieuwe wet verwijst, is zodanig verouderd, dat onderzocht wordt of dit arbeidsrecht zelf eerst aangepast moet worden, voordat handhaving van de Wet DBA opportuun is.
  • Naast DigiD komt er, na een succesvolle proefperiode, een andere manier van identificatie: iDin. iDIN is een nieuwe dienst van de banken waarmee consumenten zich bij andere organisaties online kunnen identificeren, met de inlogmiddelen van hun eigen bank.
  • Sinds 1 januari is het wettelijk mogelijk pensioen op te bouwen via een Algemeen Pensioenfonds (APF). In de loop van 2016 hebben aan aantal partijen een vergunning voor oprichting van een APF aangevraagd bij De Nederlandsche Bank.
    Een APF is een pensioenfonds dat een financieel gescheiden uitvoering van meerdere pensioenregelingen mogelijk maakt (beschikbare premieregelingen, kapitaalovereenkomsten en uitkeringsovereenkomsten). Vrijwel elke partij, behalve een verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds, kan zich omvormen tot APF.

Bron: wftnu.nl, 2 januari 2017

 

HBO Jurist vs. WO Jurist/ advocaat

HBO Jurist vs. WO Jurist/ advocaat

Elke advocaat is een jurist maar niet elke jurist is een advocaat. Dat geldt ook voor mij ik ben een jurist maar geen advocaat. Ik heb een juridische HBO opleiding gedaan en ben in 2009 met goed gevolg afgestudeerd. Ik ben gerechtigd om de titel Bachelor of Law( LL.B) achter mijn naam te vermelden. Degene die met goed gevolg de universitaire studie heeft gedaan, is gerechtigd de titel meester in de rechten( mr.) voor de naam of de internationale variant Master of Law( LL.M) achter de naam te vermelden. Een afgestudeerde meester in de rechten is daarmee nog geen advocaat. Een advocaat moet nog een langere weg bewandelen tot zijn einddoel.

In een aantal rechtsgebieden is een vertegenwoordiging door advocaat verplicht gesteld. Maar in een groot aantal rechtsgebieden is er geen verplichte vertegenwoordiging door een advocaat. Sterker nog er is geen enkele verplichting tot vertegenwoordiging door een derde. Dat zijn zaken die bij de kantonrechter horen, zoals arbeidsrecht, huurrecht zaken tot een waarde van € 25.000, -. Zaken die bij het bestuursrecht horen, zoals ambtenarenrecht, zaken met overheidsorganen.

Als jurist heb je een verplichting om een cliënt zo goed mogelijk bij te staan en van goede raad te voorzien. Het is verstandig dat een jurist zich dan ook alleen begeeft in die rechtsgebieden waarin hij deskundig is. Dat is zeker mijn keuze ik houd mij voornamelijk bezig met arbeidsrecht, inclusief ambtenarenrecht, aansprakelijkheid en letselschade en huurrecht.

De vreemde HBO-jurist vs. advocaat

In veel gevallen kunnen problemen worden opgelost in onderling overleg, maar in aantal gevallen zal een zaak aan de rechter moeten worden voorgelegd. Het komt steeds vaker voor dat cliënten kiezen voor een jurist i.p.v. een advocaat. Dat kan verschillende redenen hebben, zoals uurloon, niet in aanmerking komen voor een toevoeging( pro Deo), laagdrempelig of andere redenen. Ik heb inmiddels een flink aantal cliënten in een rechtszaak bijgestaan en heb gemerkt dat een aantal advocaten van de wederpartij niet goed weet hier mee om te gaan. Ik ben een vreemde eend in de bijt, men weet niet wat ik kan en weet, hoe ik juridische problemen oplos en hoe ik moet procederen. De HBO-jurist is praktisch opgeleid. Er wordt in de opleiding van uitgegaan dat de HBO-jurist ondersteunend is voor bijvoorbeeld een advocaat. Hij kan problemen praktisch benaderen i.p.v. te wetenschappelijk benaderen. Maar juist deze praktische benadering kan als opponent van een advocaat heel goed uitpakken in een rechtszaak in het voordeel van de cliënt van de HBO-jurist. Rechters kijken steeds meer naar de gevolgen en totstandkoming van een probleem, geschil dan naar het probleem, geschil zelf, is mijn ervaring.

Een aantal advocaten kent mij inmiddels, zij kennen mijn werkwijze en ik zal daardoor voortdurend mijn creativiteit moeten inzetten om een zaak naar tevredenheid af te wikkelen. Want ze zijn natuurlijk niet zo maar advocaat geworden. Het is in ieder geval zaak om elkaar met respect te behandelen om de cliënt zo goed mogelijk van dienst te zijn. Dat gebeurt steeds meer.

Rob Wilbrink

 

 

 

 

Belangrijkste onderwerpen Prinsjesdag 2016

Belangrijkste onderwerpen Prinsjesdag 2016

Op 20 september 2016 (Prinsjesdag) heeft het kabinet haar plannen voor 2017 bekend gemaakt. In dit artikel vatten we voor medewerkers die werkzaam zijn binnen het vakgebied Consumptief krediet de meest relevante onderwerpen van de overheidsplannen samen. Direct na Prinsjesdag bespreken de fractieleiders van de politieke partijen in de Kamer de hoofdlijnen van de miljoenennota en rijksbegroting. Dat gebeurt tijdens de ‘Algemene Politieke Beschouwingen’. Alle ministers, staatssecretarissen en Tweede Kamerleden zijn hierbij aanwezig. In dit belangrijk debat wordt uiteindelijk duidelijk welke ruimte het kabinet heeft om de plannen daadwerkelijk uit te voeren. Wat in deze samenvatting wordt genoemd, is dus nog geen absolute zekerheid

Wijzigingen in de Inkomstenbelasting
Voor Consumptief krediet zijn de wijzigingen met betrekking tot de tarieven in box 1 belangrijk. Daarnaast gaat in 2017 de aangekondigde vermogensrendementsheffing in box 3 sterk veranderen. De details hierover zijn terug te vinden in het artikel Wft Basis over Prinsjesdag.

Minimumloon
Werknemers moeten een minimumloon verdienen waarvan ze kunnen rondkomen. Daarom wordt de leeftijd waarop werknemers recht krijgen op het volledige minimumloon vanaf 1 juli 2017 in stappen verlaagd. Vanaf 1 juli 2017 hebben 22-jarigen recht op het volledige minimumloon. In de bijlagen is een tool waarmee berekend kan worden welk bedrag een werknemer minimaal behoort te verdienen per maand, week , dag en uur. Voor een fulltime of parttime baan.

De leeftijd waarvoor het volledige minimumloon geldt, wordt naar verwachting op 1 juli 2019 verder omlaag naar 21 jaar.

Daarnaast heeft het kabinet besloten dat een werkgever evenredig meer loon moet doorbetalen, als deze werknemer meer dan 40 uur per week werkt.

Schulden
Mensen die diep in de schulden zitten, komen hier moeilijk uit. Het kabinet wil dat gemeenten hun inwoners helpen om hun schulden af te lossen. Om uit die schulden te komen, kan het soms nodig zijn even een adempauze te krijgen.

Adempauze
Gemeentelijke schuldhulpverlening heeft nu al de mogelijkheid om afspraken te maken met schuldeisers om een pauze in te lassen bij het incasseren. Maar dit kan de schuldhulpverlening nog niet afdwingen. Als één schuldeiser niet wil meewerken aan een door de schuldhulpverlening opgezette regeling, mislukt deze.

Met ingang van 1 januari 2017 kunnen gemeenten naar de rechter stappen om een adempauze af te dwingen. Wijst de rechter de adempauze toe, dan moeten schuldeisers voor maximaal zes maanden hun incassoactiviteiten opschorten.

Het bedrag boven de beslagvrije voet (minimumnorm) dat niet geïncasseerd wordt, wordt apart gezet. De schuldenaar krijgt dit niet in handen. Met dit bedrag wordt aan het eind van het moratorium (de periode waarin de schuldeiser geen incassomaatregelen mag opleggen) geprobeerd een akkoord te bereiken met alle schuldeisers. Het geld dat opzij gezet is, wordt gebruikt om een deel van de schulden af te betalen. Zo proberen de schuldhulpverleners een minnelijk traject (een traject waarbij alle schuldeisers akkoord gaan met een regeling) tot stand te brengen.

Nieuwe beslagvrije voet loonbeslag per 2018
Het vereenvoudigen van de nieuwe rekenmethode voor de beslagvrije voet bij loonbeslag zou al in 2017 ingaan. Ondanks het feit dat de nieuwe rekenmethode al wel is verbeterd, blijkt hij nog steeds veel te ingewikkeld. Daarom heeft het kabinet besloten de invoeringsdatum te verschuiven naar 1 januari 2018.  Personen met schulden moeten aan hun financiële verplichtingen voldoen. Maar ze moeten ook voldoende middelen overhouden om in hun dagelijks levensonderhoud te voorzien. De noodzakelijke kosten voor levensonderhoud wordt de beslagvrije voet genoemd. Over dit bedrag mag de deurwaarder geen beslag leggen.

Nu moet de werknemer met schulden zelf gegevens aanleveren om de kosten van het noodzakelijke levensonderhoud aan te tonen. Dit gebeurt niet altijd op de juiste manier, waardoor er voor de werknemer een te lage beslagvrije voet kan worden vastgesteld. In de bijlage een tool waarmee berekend kan worden wat de beslagvrije voet is. Met de nieuwe rekentool is het aanleveren van gegevens door werknemer niet meer nodig.

Bron: wftnu.nl 21 september 2016

 

Waar moet een factuur aan voldoen?

Waar moet een factuur aan voldoen?

Een startende ondernemer krijgt via de Kamer van Koophandel en de belastingdienst de nodige informatie om de startende ondernemer op weg te helpen in een woud van allerlei administratieve regels. Begrijpelijk dat een aantal ondernemers zich daar niet in wil verdiepen. De startende ondernemer wil maar 1 ding en dat is aan de slag en geld verdienen.

Maar die regels zijn er natuurlijk niet voor niets en moeten worden nageleefd. Die regels zijn er niet om de ondernemer op te zadelen met extra werk. Die regels zijn onder andere om een gelijk speelveld te realiseren en het juist makkelijker en duidelijker te maken voor de ondernemer.

Zo heeft de belastingdienst een aantal regels opgesteld waaraan een factuur minimaal moet voldoen.

De navolgende zaken moet op een factuur worden vermeld.

  • NAW gegevens van het bedrijf;
  • IBAN nummer, K.v.K.- en btw- nummer;
  • Factuurnummer en factuurdatum;
  • Omschrijving van de dienst en/of product;
  • Het factuurbedrag en afhankelijk van de afnemer het btw- bedrag.

Verder moeten alle factuurnummers opeenvolgend zijn binnen hetzelfde boekjaar. Daarmee kan de debiteuren administratie gemakkelijk worden bijgehouden en is de kans op fouten het kleinst.

Inzake btw als voorbelasting. Bonnen tot € 100, – hoeven niet op naam zijn gesteld, daarboven wel. Denk aan bonnen van de bouwmarkt en dergelijke. Vraag op een op naam gestelde nota als de bon van de bouwmarkt € 100, – of meer is.

Overleg regelmatig met uw administrateur of raadpleeg de site van de belastingdienst om teleurstellingen en extra werk te voorkomen.

Rob Wilbrink, 15 februari 2016.

 

 

Wat kost een rechtszaak?

Wat kost een rechtszaak?

Dat is de grote vraag en het antwoord of liever gezegd het niet- antwoord daarop, weerhoudt een aantal mensen een rechtszaak te beginnen of als gedaagde bij te wonen. Ik heb het hier niet over strafzaken maar over kantongerechtszaken. De kantonrechter buigt zich over huur, arbeid, vermogenszaken tot een bedrag van € 25.000, – nog een aantal andere zaken. Veel conflicten die bij een ieder van ons kunnen voorkomen, kunnen bij de kantonrechter worden voorgelegd.

Gedaagde partij

Heeft u een dagvaarding ontvangen van een deurwaarder, is het zeker belangrijk dat u hierop reageert, als u geen verweer voert, zal de kantonrechter naar alle waarschijnlijkheid de vordering van de eisende partij toewijzen, u wordt dan ook veroordeeld in het betalen van de juridische kosten van de eisende partij. In dat geval betaalt u de griffierechten en het salaris van de gemachtigde. De gemachtigde is de vertegenwoordiger van de eisende partij, meestal de deurwaarder, advocaat of juridisch dienstverlener.

Het is in ieder geval belangrijk dat u als gedaagde partij verweer voert, opdat de kantonrechter ook uw kant van het verhaal kan horen en dat meeweegt in de uitspraak. Zelfs als u de zaak verliest, kan de kantonrechter aanleiding zien om te besluiten dat elke partij zijn eigen juridische kosten betaalt. En daarmee is al winst te behalen. Wat u het kost als gedaagde is afhankelijk van een aantal factoren. U bent niet verplicht om te worden bijgestaan door een advocaat of juridisch dienstverlener. Het is echter wel verstandig om te worden bijgestaan door een deskundige. De prijs van deze deskundige kunt u in grote mate zelf bepalen op de volgende manier.

  • Heeft u laag inkomen, dan heeft u wellicht recht op gesubsidieerde rechtsbijstand, informatie daarover kunt u bij een advocaat verkrijgen;
  • Komt u niet in aanmerking voor gesubsidieerde rechtsbijstand, dan kunt u een advocaat of een juridische dienstverlener inhuren. In plaats van een uurloon te betalen, kunt u een vaste prijs overeenkomen, zodat u weet waar u aan toe bent. Neem een in ieder geval een ter zake deskundige advocaat of juridisch dienstverlener.

Eisende partij

Een eisende partij betaalt naast de kosten van de advocaat of juridische dienstverlener ook de griffierechten. De kantonrechter kan bepalen dat de kosten geheel of gedeeltelijk voor rekening komen van de gedaagde partij.

Klik op de link hieronder voor een overzicht van de griffierechten.

Griffierechten.

Als u als eisende partij de hoogte van de kosten weet, kunt u weloverwogen beslissen de rechtszaak al dan niet te beginnen.

Rob Wilbrink, 26 januari 2016