image_pdfimage_print

Belangrijkste onderwerpen Prinsjesdag 2016

Belangrijkste onderwerpen Prinsjesdag 2016

Op 20 september 2016 (Prinsjesdag) heeft het kabinet haar plannen voor 2017 bekend gemaakt. In dit artikel vatten we voor medewerkers die werkzaam zijn binnen het vakgebied Consumptief krediet de meest relevante onderwerpen van de overheidsplannen samen. Direct na Prinsjesdag bespreken de fractieleiders van de politieke partijen in de Kamer de hoofdlijnen van de miljoenennota en rijksbegroting. Dat gebeurt tijdens de ‘Algemene Politieke Beschouwingen’. Alle ministers, staatssecretarissen en Tweede Kamerleden zijn hierbij aanwezig. In dit belangrijk debat wordt uiteindelijk duidelijk welke ruimte het kabinet heeft om de plannen daadwerkelijk uit te voeren. Wat in deze samenvatting wordt genoemd, is dus nog geen absolute zekerheid

Wijzigingen in de Inkomstenbelasting
Voor Consumptief krediet zijn de wijzigingen met betrekking tot de tarieven in box 1 belangrijk. Daarnaast gaat in 2017 de aangekondigde vermogensrendementsheffing in box 3 sterk veranderen. De details hierover zijn terug te vinden in het artikel Wft Basis over Prinsjesdag.

Minimumloon
Werknemers moeten een minimumloon verdienen waarvan ze kunnen rondkomen. Daarom wordt de leeftijd waarop werknemers recht krijgen op het volledige minimumloon vanaf 1 juli 2017 in stappen verlaagd. Vanaf 1 juli 2017 hebben 22-jarigen recht op het volledige minimumloon. In de bijlagen is een tool waarmee berekend kan worden welk bedrag een werknemer minimaal behoort te verdienen per maand, week , dag en uur. Voor een fulltime of parttime baan.

De leeftijd waarvoor het volledige minimumloon geldt, wordt naar verwachting op 1 juli 2019 verder omlaag naar 21 jaar.

Daarnaast heeft het kabinet besloten dat een werkgever evenredig meer loon moet doorbetalen, als deze werknemer meer dan 40 uur per week werkt.

Schulden
Mensen die diep in de schulden zitten, komen hier moeilijk uit. Het kabinet wil dat gemeenten hun inwoners helpen om hun schulden af te lossen. Om uit die schulden te komen, kan het soms nodig zijn even een adempauze te krijgen.

Adempauze
Gemeentelijke schuldhulpverlening heeft nu al de mogelijkheid om afspraken te maken met schuldeisers om een pauze in te lassen bij het incasseren. Maar dit kan de schuldhulpverlening nog niet afdwingen. Als één schuldeiser niet wil meewerken aan een door de schuldhulpverlening opgezette regeling, mislukt deze.

Met ingang van 1 januari 2017 kunnen gemeenten naar de rechter stappen om een adempauze af te dwingen. Wijst de rechter de adempauze toe, dan moeten schuldeisers voor maximaal zes maanden hun incassoactiviteiten opschorten.

Het bedrag boven de beslagvrije voet (minimumnorm) dat niet geïncasseerd wordt, wordt apart gezet. De schuldenaar krijgt dit niet in handen. Met dit bedrag wordt aan het eind van het moratorium (de periode waarin de schuldeiser geen incassomaatregelen mag opleggen) geprobeerd een akkoord te bereiken met alle schuldeisers. Het geld dat opzij gezet is, wordt gebruikt om een deel van de schulden af te betalen. Zo proberen de schuldhulpverleners een minnelijk traject (een traject waarbij alle schuldeisers akkoord gaan met een regeling) tot stand te brengen.

Nieuwe beslagvrije voet loonbeslag per 2018
Het vereenvoudigen van de nieuwe rekenmethode voor de beslagvrije voet bij loonbeslag zou al in 2017 ingaan. Ondanks het feit dat de nieuwe rekenmethode al wel is verbeterd, blijkt hij nog steeds veel te ingewikkeld. Daarom heeft het kabinet besloten de invoeringsdatum te verschuiven naar 1 januari 2018.  Personen met schulden moeten aan hun financiële verplichtingen voldoen. Maar ze moeten ook voldoende middelen overhouden om in hun dagelijks levensonderhoud te voorzien. De noodzakelijke kosten voor levensonderhoud wordt de beslagvrije voet genoemd. Over dit bedrag mag de deurwaarder geen beslag leggen.

Nu moet de werknemer met schulden zelf gegevens aanleveren om de kosten van het noodzakelijke levensonderhoud aan te tonen. Dit gebeurt niet altijd op de juiste manier, waardoor er voor de werknemer een te lage beslagvrije voet kan worden vastgesteld. In de bijlage een tool waarmee berekend kan worden wat de beslagvrije voet is. Met de nieuwe rekentool is het aanleveren van gegevens door werknemer niet meer nodig.

Bron: wftnu.nl 21 september 2016

 

Fiscale partnerschap

Fiscale partnerschap

Fiscale partnerschap kan voordeel opleveren. Fiscale partners mogen elkaars aftrekposten verdelen. Vaak kan de algemene heffingskorting aan de minst verdienende worden toebedeeld en er zijn voordelen op het gebied van vrijstellingen en erfbelasting.

Enkele jaren geleden konden samenwonende partners voor fiscale partnerschap kiezen. Dit kan nu niet meer. Je bent nu alleen fiscale partner als aan aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. Er is geen keuze mogelijkheid meer.

Voorwaarden fiscale partnerschap

Gehuwden en geregistreerde partners zijn altijd fiscale partners.

Ongehuwde meerderjarige partners die op hetzelfde adres wonen zijn fiscale partner als ze aan 1 van de navolgende voorwaarden voldoen.

  • Het bezitten van een notarieel samenlevingsovereenkomst;
  • Het hebben van een minderjarig kind;
  • De ene partner heeft het kind van de ander erkent;
  • Het zijn van elkaars pensioenpartner;
  • Het samen bezitten van een eigen woning;
  • Een inwonend minderjarig kind van 1 van de partners.

In alle andere gevallen is er geen sprake van fiscale partnerschap. Als de wens er wel is om fiscale partner van elkaar te worden, dan is het duidelijk hoe dat gerealiseerd kan worden. Voordelen zijn vooral te behalen voor partners met een alleenverdiener of een met klein verdiende partner, hierbij kan de leeftijd nu ook een rol spelen. En voor partners met aftrekposten waarbij de aftrekposten kan worden toebedeeld aan de meest verdienende partner die het hoogste percentage aan belasting betaalt.

Er zijn voor niet fiscale partners mogelijke voordelen te behalen met deze wetenschap.

Rob Wilbrink, 28 februari 2016.

 

Waar moet een factuur aan voldoen?

Waar moet een factuur aan voldoen?

Een startende ondernemer krijgt via de Kamer van Koophandel en de belastingdienst de nodige informatie om de startende ondernemer op weg te helpen in een woud van allerlei administratieve regels. Begrijpelijk dat een aantal ondernemers zich daar niet in wil verdiepen. De startende ondernemer wil maar 1 ding en dat is aan de slag en geld verdienen.

Maar die regels zijn er natuurlijk niet voor niets en moeten worden nageleefd. Die regels zijn er niet om de ondernemer op te zadelen met extra werk. Die regels zijn onder andere om een gelijk speelveld te realiseren en het juist makkelijker en duidelijker te maken voor de ondernemer.

Zo heeft de belastingdienst een aantal regels opgesteld waaraan een factuur minimaal moet voldoen.

De navolgende zaken moet op een factuur worden vermeld.

  • NAW gegevens van het bedrijf;
  • IBAN nummer, K.v.K.- en btw- nummer;
  • Factuurnummer en factuurdatum;
  • Omschrijving van de dienst en/of product;
  • Het factuurbedrag en afhankelijk van de afnemer het btw- bedrag.

Verder moeten alle factuurnummers opeenvolgend zijn binnen hetzelfde boekjaar. Daarmee kan de debiteuren administratie gemakkelijk worden bijgehouden en is de kans op fouten het kleinst.

Inzake btw als voorbelasting. Bonnen tot € 100, – hoeven niet op naam zijn gesteld, daarboven wel. Denk aan bonnen van de bouwmarkt en dergelijke. Vraag op een op naam gestelde nota als de bon van de bouwmarkt € 100, – of meer is.

Overleg regelmatig met uw administrateur of raadpleeg de site van de belastingdienst om teleurstellingen en extra werk te voorkomen.

Rob Wilbrink, 15 februari 2016.

 

 

Wijzigingen minimumloon en sociale uitkeringen 2016

Wijzigingen minimumloon en sociale uitkeringen 2016

Werk en inkomen

Wettelijk minimumloon en uitkeringsbedragen

De bruto bedragen van het wettelijk minimumloon en het minimumjeugdloon zijn per 1 januari 2016 gestegen. De meeste uitkeringen, zoals de AOW, Bijstandsuitkering en de Wajong, zijn ook gewijzigd. Deze uitkeringen zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon.

Maximum dagloon 

 Het maximum dagloon is verhoogd naar € 202,17. Hierdoor worden ook de maximale uitkeringen in het kader van WW of WIA verhoogd.

Tarieven box 1

Het tarief in de 1e schijf van box 1 is verhoogd naar 36,55% (2015: 36,50%) voor belastingplichtigen die jonger zijn dan de AOW-leeftijd. Voor belastingplichtigen vanaf de AOW-leeftijd is dat tarief verhoogd tot 18,65% (2015: 18,60%). De tarieven in de tweede en derde schijf zijn echter verlaagd. Bovendien is de derde schijf verlengd, waardoor men minder snel in de hoogste belastingschijf valt. Hieronder zijn de tarieven van box 1 opgenomen:

Jonger dan AOW-leeftijd
  Belastbaar inkomen meer dan doch niet meer dan totaal tarief heffing over totaal van de schijven
Eerste schijf € 19.922 36,55% €   7.281
Tweede schijf € 19.922 € 33.715 40,40% € 12.853
Derde schijf € 33.715 € 66.421 40,40% € 26.066
Vierde schijf € 66.421 52%
AOW-leeftijd en ouder geboren vanaf 1 januari 1946
  Belastbaar inkomen meer dan doch niet meer dan totaal tarief heffing over totaal van de schijven
Eerste schijf € 19.922 18,65% € 3.715
Tweede schijf € 19.922 € 33.715 22,5% € 6.818
Derde schijf € 33.715 € 66.421 40,40% € 20.031
Vierde schijf € 66.421 52%
AOW-leeftijd en ouder geboren voor 1 januari 1946
  Belastbaar inkomen meer dan doch niet meer dan totaal tarief heffing over totaal van de schijven
Eerste schijf € 19.922 18,65% € 3.715
Tweede schijf € 19.922 € 34.027 22,5% € 6.888
Derde schijf € 34.027 € 66.421 40,40% € 19.975
Vierde schijf € 66.421 52%

 

Een deel van de te betalen belasting bestaat uit premies volksverzekeringen. Het tarief voor deze premies volksverzekeringen is in totaal 28,15% (ongewijzigd ten opzichte van 2015). De premies volksverzekeringen bestaan uit premies voor de AOW (17,9%), Anw (0,6%) en Wlz (9,65%).

Wijzigingen heffingskortingen

De algemene heffingskorting bedraagt maximaal € 2.242 per persoon (2015: € 2.203). Voor zover het inkomen hoger is dan € 19.922, wordt de algemene heffingskorting verminderd met 4,822% (2015: 2,32%) van dit inkomen. De afbouw van deze korting gaat dus veel sneller dan in 2015. Ook geldt voor inkomens vanaf € 66.419 dat er helemaal geen algemene heffingskorting meer overblijft. In 2015 bleef nog minimaal € 1.342 aan algemene heffingskorting over.
Als er een minder of niet verdienende partner is, kan deze de algemene heffingskorting deels zelf verkrijgen. Het percentage waarop de minst verdienende partner zelfstandig recht heeft is maximaal 46 2/3% (of wel € 1.047), maar nooit meer dan wat de meest verdienende partner nog als inkomstenbelasting is verschuldigd.

De arbeidskorting bedraagt in 2016 maximaal € 3.103 (2015: € 2.220). Ook hiervoor geldt dat hoe meer iemand verdient, hoe lager de arbeidskorting wordt. Inkomen boven de € 34.015, wordt voor 4% op de arbeidskorting gekort. Voor inkomens vanaf € 111.590 betekent dit dat de arbeidskorting nihil is.

De inkomensafhankelijke combinatiekorting voor inkomens vanaf € 4.881 per jaar, bedraagt € 1.039 (2015: € 1.033). Deze heffingskorting geldt voor iedere alleenstaande die langer dan 6 maanden een kind onder de 12 jaar heeft, dat ingeschreven is op hetzelfde adres. Een alleenstaande is iemand die minder dan 6 maanden een fiscale partner had.

Boven een inkomen van € 4.881 wordt de inkomensafhankelijke combinatiekorting verhoogd met 6,159% van het inkomen, tot een maximum van € 2.769 (2015: € 2.152). Dit maximum wordt bereikt bij een inkomen van € 32.970 per jaar.

Extra toeslagen gezin met kinderen.

Voor gezinnen met kinderen geldt dat er extra geld is vrijgemaakt door de overheid. Zowel de kinderopvangtoeslag als het kindgebonden budget en de kinderbijslag gaan omhoog.

Uitzondering fiscaal partnerschap

Wanneer twee volwassenen samenwonen met een kind van één van beiden, is in beginsel sprake van fiscaal partnerschap tussen die twee volwassenen. Hierop is één uitzondering: wanneer de volwassenen samenwonen in een opvangwoning, dan kan op schriftelijk verzoek afgeweken worden van dit fiscale partnerschap. Een opvangwoning is een accommodatie in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het was een onbedoeld effect van de wet dat een dergelijke situatie, waarbij degene in de opvangwoning geen keuze heeft om elders te wonen, sprake zou zijn van fiscaal partnerschap. Via een ministerieel besluit was overigens in 2015 al aangegeven dat voor deze groep de uitzondering gold met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015. Vanaf 2016 is dit wettelijk geregeld.

Box 3

De vermogensvrijstelling in box 3 is verhoogd naar € 24.437 per belastingplichtige (2015: € 21.330). Er geldt een vrijstelling voor contant geld van € 520 (2015: € 517). De schuldendrempel blijft gelijk op € 3.000 per persoon.

De vrijstelling voor groene beleggingen is in 2015 € 57.213 per belastingplichtige (2015: € 56.928).

De vrijstelling voor een uitvaartverzekering of overlijdensrisicoverzekering is € 6.956 (2015: € 6.921). Er was tot en met 2015 een vrijstelling voor de bankspaarvariant van uitvaartverzekeringen. Banken boden deze variant echter niet aan. Daarom is besloten deze vrijstelling af te schaffen in 2016.

Voor ouderen met een laag inkomen gold tot en met 2015 een extra vermogensvrijstelling van maximaal € 28.236. Deze ouderentoeslag is per 1 januari 2016 vervallen.

Ook de spaarloonvrijstelling is op 1 januari 2016 vervallen. Een spaarloonrekening moet nu, als vermogen, in box 3 worden aangegeven.

Het forfait van 4% en het tarief van 30% zijn ongewijzigd gebleven. Mogelijk dat dit vanaf 2017 gaat veranderen.

Wonen

Eigenwoningforfait

De tarieven voor de bijtelling van het eigenwoningforfait blijven ongewijzigd voor alle woningen met een WOZ-waarde tot € 1.050.000. Alleen voor woningen boven dat bedrag stijgt het eigenwoningforfait.

Maximale belastingtarief hypotheekrenteaftrek omlaag

Vanaf 2014 daalt het maximale belastingtarief waartegen hypotheekrente kan worden afgetrokken met 0,5%.Voor 2016 geldt een maximaal aftrekpercentage van 50,5%.

Rentevoordeel personeelsleningen belast

Het rentevoordeel van werknemers met een personeelslening ten behoeve van de eigen woning, wordt bij die werknemer belast als loon. Daar staat wel tegenover dat de rente ook afgetrokken kan worden van de inkomstenbelasting. Omdat de belasting maximaal 52% bedraagt, terwijl er slechts tegen maximaal 50,5% kan worden afgetrokken, merken alleen mensen met inkomens in het hoogste tarief hier iets van.

Extra verhoogde schenkingsvrijstelling vanaf 2017

In 2014 was het mogelijk onbelast € 100.000 te schenken ten behoeve van de eigen woning. Sinds 1 januari 2015 is deze extra vrijstelling vervallen. In 2017 wordt deze echter weer verhoogd voor iedere ontvanger tussen de 18 en 40 jaar, mits hij de schenking benut voor de eigen woning.

Zorg

Verplicht eigen risico verhoogd naar € 385

Vanaf 2016 bedraagt het verplicht eigen risico van de zorgverzekering € 385 (2015: € 375). Dit eigen risico geldt voor alle verzekerden vanaf 18 jaar.

Wijzigingen zorgtoeslag in 2016

De zorgtoeslag is in 2016 maximaal € 83 per maand voor alleenstaanden en € 158 voor iedereen met een toeslagpartner. De toeslag vervalt voor alleenstaanden boven een inkomen van € 27.012 en voor partners met een gezamenlijk inkomen boven de € 33.765.

Ook boven een bepaald vermogen geldt dat er geen recht meer bestaat op zorgtoeslag. De vermogensgrens was in 2015 nog afhankelijk van het feit of iemand al dan niet AOW-gerechtigd was. In 2016 verdwijnt dit onderscheid, omdat de ouderentoeslag (extra vermogensvrijstelling voor AOW-ers) vervalt.

Maximum bijdrage-inkomen Zorgverzekeringswet (Zvw) verandert

In 2016 bedraagt het maximum bijdrage-inkomen voor de Zvw op jaarbasis € 52.763 (2015: € 51.976). Het percentage inkomensafhankelijke hoge bijdrage voor de Zvw is gedaald naar 6,75% (2015: 6,95%). Verzekeringsplichtigen (lage bijdrage) zijn in 2016 5,5% (2015: 4,85%) verschuldigd over hun bijdrage-inkomen met een maximum van € 2.901 (2015: € 2.520).

 Toekomstvoorzieningen

Versnelde verhoging AOW-leeftijd

De AOW-leeftijd wordt versneld verhoogd, waardoor al in 2021 een AOW-leeftijd wordt bereikt van 67 jaar. Iedereen die is geboren op of na 1 januari 1955 heeft een AOW-leeftijd van 67 jaar of ouder. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd afhankelijk van de levensverwachting.

Vanwege de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd is de overbruggingsregeling voor mensen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt, verlengd tot en met 2022 voor iedereen die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 een VUT- of vergelijkbare uitkering zijn gaan ontvangen. Deze uitkeringen houden in veel gevallen op wanneer de AOW-leeftijd bereikt zou zijn volgens oude wetgeving. Om te voorkomen dat mensen in een dergelijke situatie tijdelijk helemaal geen inkomen hebben, is de overbruggingsuitkering ingevoerd.

Verhoging aftoppingsgrens lijfrente- en pensioenopbouw

Sinds 2015 is het inkomen waarover bruto pensioen of een bruto lijfrente opgebouwd kan worden gemaximeerd. Het maximum inkomen waarover bruto lijfrente- en pensioenopbouw mogelijk is, is in 2016 verhoogd tot € 101.519 (2015: € 100.000).

Vrijlating oudedagsvoorziening ZZP’ers voor bijstand

Sinds 1 januari 2016 hoeft een (voormalig) ZZP’er die een bijstandsuitkering wil aanvragen, niet meer eerst zijn pensioenvermogen te consumeren. Hieraan zijn wel enkele voorwaarden verbonden.

Invoering kostendelersnorm Bijstand en Anw

Al sinds 1 juli 2015 bestaat de kostendelersnorm voor Anw- en bijstandsgerechtigden. Als een bijstands- of Anw-gerechtigde samenwoont met iemand in een woning (ook zonder dat ze fiscaal partner zijn!), geldt de kostendelersnorm. Dat betekent dat het normbedrag voor de uitkering van 70% van het minimumloon wordt verlaagd. Vanaf 1 januari 2016 is het normbedrag verlaagd naar 65% van het minimumloon (1 juli 2015: 68%). Deze verlaging wordt in jaarlijkse stappen van 5% doorgezet tot 50% in 2019.

Aanpassingen WW

De Werkloosheidswet wordt op verschillende punten aangepast:

  • De maximale duur gaat met 1 maand per kwartaal omlaag vanaf 1 januari 2016. De maximale duur was tot en met 2015 nog 38 maanden. Dit wordt voor iedereen die in het eerste kwartaal van 2016 wordt ontslagen dus 37 maanden. In 2019 wordt zo een maximale duur bereikt van 2 jaar.
  • Ook de opbouw van WW-rechten verandert. In de eerste 10 jaar wordt 1 maand WW opgebouwd per gewerkt jaar. Daarna een halve maand per gewerkt jaar. Tot 2016 opgebouwde rechten blijven bestaan.
  • Sinds 1 juli wordt de hoogte van de WW-uitkering bepaald door uit te gaan van het gemiddelde maandinkomen over de afgelopen 12 maanden. Ook geldt er een andere inkomensverrekening. De uitkering wordt bovendien per maand uitbetaald en niet meer per 4 weken.

De maximale transitievergoeding bij ontslag wordt verhoogd naar € 76.000 (2015: € 75.000).

Maximale duur WGA

De maximale duur van de loongerelateerde WGA-uitkering wordt op dezelfde wijze afgebouwd als de maximale WW-duur.

Bron: wftnu.nl, 4 januari 2016