Belangrijkste wijzigingen belasting 2018

belasting 2018

Voor de belangrijkste belasting wijzigingen klik op de link hierboven. Daar kunt u een uitgebreid overzicht downloaden van de overheid.




Begunstigde en nalatenschap

Begunstigde en nalatenschap

Veel huishoudens hebben een levensverzekering of een overlijdensrisico verzekering afgesloten, om de overblijvende partner financieel goed achter te laten. Het is van groot belang om de begunstigde goed te omschrijven en af te stellen op het doel van de verzekering. Er zijn diverse mogelijkheden op fiscaal als erfrechtelijk gebied. Een goede omschrijving kan veel geld schelen en eventuele problemen met erfgenamen voorkomen.

Nalatenschap en erfenis

Een uitkering van een overlijdensrisico verzekering(ORV) kan zowel binnen de nalatenschap als buiten de nalatenschap vallen. In het geval van een ORV is er sprake van de verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde en premie betaler.

Huwelijk.

Voorbeeld 1: Rob en Marijn zijn gehuwd in gemeenschap van goederen, er is geen testament en zij hebben beide een kind uit een vorig huwelijk. Rob sluit een ORV af bij maatschappij X en Rob is de verzekeringnemer, de premiebetaler, de verzekerde en Marijn is de begunstigde. In geval van het overlijden van Rob, zal de uitkering naar Marijn gaan, zij is immers de begunstigde. In dit geval, valt de uitkering buiten de nalatenschap van Rob. Marijn heeft als begunstigde de uitkering gekregen op grond van een overeenkomst(HR: Weduwe Veltman).

De standaard begunstiging is:

  1. verzekeringnemer;
  2. echtgeno(o)t(e) of partner van de verzekeringnemer;
  3. kinderen van de verzekeringnemer;
  4. andere erfgenamen van de verzekeringnemer.
Samenwonen.

Voorbeeld 2: Rob en Marijn gaan samenwonen, er is geen testament en zij hebben beide een kind uit een vorig huwelijk. Rob heeft ten tijde van zijn huwelijk een ORV afgesloten bij maatschappij X en Rob is de verzekeringnemer, de premiebetaler en er is sprake van een standaard begunstiging. In geval van overlijden zal de uitkering naar de weduwe gaan, Er is in dit voorbeeld nu geen sprake van een weduwe. De uitkering gaat nu naar het kind van Rob. Als dit bedoeling was, is dat prima, maar als de uitkering voor de overblijvende partner was bedoeld, dan gaat het mis. Het is van belang de begunstiging aan te passen aan de gewenste situatie.

Partnerverklaring.

Veelal wordt een ORV gesloten als dekking voor een hypotheekschuld. De hypotheekverstrekker verlangt een dekking bij overlijden van een schuldenaar. De uitkering dient te worden gebruikt ter aflossing van de hypotheekschuld of een deel ervan. Dat kan d.m.v. verpanding van de uitkering aan de verzekeraar. Dat betekent dat de uitkering rechtstreeks wordt gebruikt om de hypotheekschuld te verlagen. Het kan ook via een zogenoemde partnerverklaring waarbij de overblijvende partner verklaart de verkregen uitkering te gebruiken om de hypotheekschuld daarmee te verlagen. In beide gevallen valt de uitkering buiten de nalatenschap en toch beïnvloedt het de hoogte van de nalatenschap.

In geval van verpanding aan de hypotheekverstrekker, zal de hypotheekschuld direct worden verlaagd. dit betekent een lagere hypotheekschuld en dus een hoger vermogen en daarmee nalatenschap.

In geval van een partnerverklaring krijgt de weduwe de uitkering en zij zal met die uitkering de hypotheek verlagen. Op het oog lijkt er geen verschil met de bovenstaande situatie, maar is wel degelijk een verschil. De verlaging van de hypotheekschuld wordt nu gedaan door eigen geld die de weduwe van de verzekeraar heeft gekregen, de erfgenamen krijgen daardoor een voordeel van een lagere hypotheekschuld en daardoor een hogere nalatenschap. De weduwe krijgt hierdoor een vordering op de erfgenamen ter grootte van het bedrag van de verzekeringsuitkering.

Zonder partnerverklaring.

Voorbeeld 1: Rob en Marijn zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Ze hebben een gezamenlijke woning met een waarde van € 300.000, – en hun hypotheekschuld is € 250.000, -. Het verzekerd bedrag van de ORV is € 150.000, -. De ORV is verpand aan de hypotheekverstrekker zonder partner verklaring. In het geval van overlijden van Rob, wordt de uitkering van € 150.000, – direct aangewend ter aflossing van de hypotheekschuld. De nalatenschap van Rob is dan 50% van de waarde van de woning minus de hypotheekschuld. 50%(300.000-(250.000-150.000)) is € 100.000, – Dit bedrag zal worden verdeeld aan de weduwe en kinderen.Elk een derde deel van € 100.000, -. De kinderen krijgen een vordering op Marijn op grond van de langstlevende partner en Marijn krijgt een voordeel van een lagere schuld. Marijn hoeft geen erfbelasting te betalen door de hoge vrijstelling voor gehuwden. De kinderen worden wel belast met erfbelasting.

Met partnerverklaring.

Voorbeeld 2: Rob en Marijn zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Ze hebben een gezamenlijke woning met een waarde van € 300.000, – en hun hypotheekschuld is € 250.000, -. Het verzekerd bedrag van de ORV is € 150.000, -. De ORV is verpand aan de hypotheekverstrekker met partner verklaring. In het geval van overlijden van Rob, wordt de uitkering van € 150.000, – aan Marijn uitgekeerd die op haar beurt de hypotheekschuld met deze uitkering verlaagt. De nalatenschap van Rob is dan 50% van de waarde van de woning minus de hypotheekschuld. 50%(300.000-250.000) is € 50.000, – Dit bedrag zal worden verdeeld aan de weduwe en kinderen. Elk een derde deel van € 50.000, -. De kinderen krijgen een vordering op Marijn op grond van de langstlevende partner en Marijn krijgt een voordeel van een lagere schuld. Marijn hoeft geen erfbelasting te betalen door de hoge vrijstelling voor gehuwden. De kinderen worden nu lager belast met erfbelasting over een bedrag van 1/3(50.000) i.p.v. 1/3(100.000).

Het komt erop neer dat de combinatie van verzekeren, wensen, nalatenschap en belastingen, maatwerk is. Breng de wensen en het doel goed in kaart en laat je goed adviseren.

R.E. Wilbrink, 10 februari 2017.

 

 

 




Wijzigingen per 1 januari 2017

Wijzigingen per 1 januari 2017

Op 1 januari 2017 zijn enkele wetten aangepast, die van invloed zijn op het geven van een passend financieel advies. In dit bericht geven we, met betrekking tot de module Basis, daarvan een beknopt overzicht. De komende dagen wordt de nieuwe wetgeving voor de andere modules gepubliceerd.

 

 

 

Werk en Inkomen

Wettelijk minimumloon en uitkeringsbedragen
De bruto bedragen van het wettelijk minimumloon en het minimumjeugdloon zijn per 1 januari 2017 gestegen. De meeste uitkeringen, zoals de AOW, Bijstandsuitkering en de Wajong, zijn ook gewijzigd. Deze uitkeringen zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon.

Maximum dagloon
Het maximum dagloon is verhoogd, waardoor ook de maximale uitkeringen in het kader van WW of WIA verhoogd.

Tarieven box 1

De tarieven voor de inkomstenbelasting in box 1 zijn voor 2017 als volgt:

Jonger dan AOW-leeftijd
  Belastbaar inkomen meer dan doch niet meer dan totaal tarief heffing over totaal van de schijven
Eerste schijf € 19.982 36,55% €   7.303
Tweede schijf € 19.982 € 33.791 40,80% € 12.937
Derde schijf € 33.791 € 67.072 40,80% € 26.515
Vierde schijf € 67.072   52%  
AOW-leeftijd en ouder geboren vanaf 1 januari 1946
  Belastbaar inkomen meer dan doch niet meer dan totaal tarief heffing over totaal van de schijven
Eerste schijf € 19.982 18,65% € 3.726
Tweede schijf € 19.982 € 33.791 22,90% € 6.888
Derde schijf € 33.791 € 67.072 40,80% € 20.466
Vierde schijf € 67.072   52%  
AOW-leeftijd en ouder geboren voor 1 januari 1946
  Belastbaar inkomen meer dan doch niet meer dan totaal tarief heffing over totaal van de schijven
Eerste schijf € 19.982 18,65% € 3.726
Tweede schijf € 19.982 € 34.130 22,90% € 6.965
Derde schijf € 34.130 € 67.072 40,80% € 20.405
Vierde schijf € 67.072   52%  

 

Een deel van de te betalen belasting bestaat uit premies volksverzekeringen. Het tarief voor deze premies volksverzekeringen is in totaal 27,65% (2016: 28,15%). De premies volksverzekeringen bestaan uit premies voor de AOW (17,9%), Anw (0,1%) en Wlz (9,65%). De verlaging van de premies komt geheel voor rekening van de Anw-premie (2016: 0,5%).

Wijzigingen heffingskortingen

  • De algemene heffingskorting is maximaal € 2.254 (2016: € 2.242). Voor zover het belastbaar inkomen hoger is dan € 19.982 wordt deze heffingskorting verlaagd met 4,787% (2016: 4,822%). Voor inkomens van € 67.068 of meer betekent dit dat de algemene heffingskorting nihil is.
    Als er een minder of niet verdienende partner is, kan deze de algemene heffingskorting deels zelf verkrijgen. Het percentage waarop de minst verdienende partner zelfstandig recht heeft is maximaal 40% (of wel € 902), maar nooit meer dan wat de meest verdienende partner nog als inkomstenbelasting is verschuldigd.
  • De arbeidskorting is maximaal € 3.223 (2016: € 3.103). Voor zover het belastbaar inkomen hoger is dan € 32.444 wordt deze heffingskorting verlaagd met 3,6% (2016: 4%). Voor inkomens boven de € 121.971 is de arbeidskorting nihil. Voor belastbare inkomens tot € 20.108 is de arbeidskorting lager dan het maximum.
  • De inkomensafhankelijke combinatiekorting voor inkomens vanaf € 4.895 is maximaal € 1.043 (2016: € 1.039). Voor zover het belastbaar inkomen hoger is dan € 4.895 wordt de korting verhoogd met 6,159% (ongewijzigd) tot maximaal € 2.778 (2016: € 2.769). Dit maximum wordt bereikt bij een belastbaar inkomen van € 33.065.

Kindregelingen
Voor gezinnen met kinderen zijn de volgende kindregelingen aangepast:

  • Het Kindgebonden budget is € 1.142 (2016: € 1.038) voor het eerste kind. Voor het tweede kind  is dit      € 895 (2016: € 830) en voor het derde en volgende kind € 285 (2016: € 284) per kind.
  • De Kinderopvangtoeslag is ook verhoogd. Het maximumtarief (afhankelijk van de instelling die de opvang regelt) is € 7,18 per uur (2016: € 6,89).

Wijzigingen box 3
Het forfaitaire rendement op vermogen wordt vanaf 2017 anders vastgesteld dan in de jaren van 2001 tot en met 2016. Tot en met 2016 werd uitgegaan van een rendement van 4% over het vermogen, dat tegen 30% werd belast. Vanaf 2017 wordt uitgegaan van een rendement op vermogen dat afhankelijk is van de hoogte van dat vermogen. Het uitgangspunt daarbij is dat hoe hoger iemands vermogen is, des te groter het deel is dat belegd wordt. Omdat beleggen een hoger rendement zou opleveren dan sparen, wordt het rendement voor hogere vermogens geacht ook hoger te zijn.

Het rendement op sparen wordt gesteld op 1,63%. Het rendement op beleggen wordt gesteld op 5,39%. Er geldt een vrijstelling van € 25.000 (2016: € 24.437) per belastingplichtige. Dat leidt tot de volgende staffels:

Grondslag sparen en beleggen

(na aftrek vrijstelling)

Spaardeel (1,63%) Beleggingsdeel (5,39%) Forfaitair rendement Effectieve belasting (30%)
Tot en met € 75.000 67% 33% 2,87% 0,86%
Van € 75.000 tot en met € 975.000 21% 79% 4,60% 1,38%
Vanaf € 975.000 0% 100% 5,39% 1,62%

 

Naast de eerder genoemde algemene vrijstelling, geldt een extra vrijstelling voor groene beleggingen van € 57.385 (2016: € 57.213). Ook voor een uitvaart- of overlijdensrisicoverzekering in box 3 geldt een extra vrijstelling van € 6.977 (2016: € 6.956) per belastingplichtige. Tot slot geldt er een vrijstelling van contant geld van € 522 (2016: €520) per belastingplichtige.

Schulden komen in mindering op de grondslag sparen en beleggen, waarbij de eerste € 3.000 per belastingplichtige niet als schuld telt (ongewijzigd ten opzichte van 2016).

Vanaf 2017 geldt dat verplichtingen in de vorm van kinderalimentatie niet meer kunnen worden opgegeven als schuld in box 3.

Wonen

Eigenwoningforfait
De tarieven voor de bijtelling van het eigenwoningforfait blijven ongewijzigd voor alle woningen. Ook voor woningen met een WOZ-waarde boven de € 1.060.000 blijft het bijtellingspercentage in 2017 gelijk aan dat van 2016.  

Maximale belastingtarief hypotheekrenteaftrek omlaag
Vanaf 2014 daalt het maximale belastingtarief waartegen hypotheekrente kan worden afgetrokken met 0,5%.Voor 2017 geldt een maximaal aftrekpercentage van 50%.

Extra verhoogde schenkingsvrijstelling
In 2014 was het mogelijk onbelast € 100.000 te schenken ten behoeve van de eigen woning. Sinds 1 januari 2015 is deze extra vrijstelling vervallen. In 2017 is deze echter weer verhoogd voor iedere ontvanger tussen de 18 en 40 jaar, mits hij de schenking benut voor de eigen woning.

De schenking mag bovendien worden gespreid over 3 opeenvolgende kalenderjaren.

Er geldt wel een ingewikkelde overgangsregeling: ontvangers van een schenking die al eerder een schenking hebben gekregen, kunnen hierdoor gekort worden op de vrijstelling.

Zorg

Verplicht eigen risico blijft gelijk op € 385
In 2017 bedraagt het verplicht eigen risico van de zorgverzekering € 385 (ongewijzigd). Dit eigen risico geldt voor alle verzekerden vanaf 18 jaar.

Wijzigingen zorgtoeslag in 2017
De zorgtoeslag is in 2017 maximaal € 88 (2016: € 83) per maand voor alleenstaanden en € 170 (2016: € 158) voor iedereen met een toeslagpartner. De toeslag vervalt voor alleenstaanden boven een inkomen van € 27.500 en voor partners met een gezamenlijk inkomen boven de € 35.000.

Ook boven een bepaald vermogen geldt dat er geen recht meer bestaat op zorgtoeslag.

Maximum bijdrage-inkomen Zorgverzekeringswet (Zvw) verandert
In 2017 bedraagt het maximum bijdrage-inkomen voor de Zvw op jaarbasis € 53.697 (2016: € 52.763). Het percentage inkomensafhankelijke hoge bijdrage voor de Zvw is gedaald naar 6,65% (2016: 6,75%). Verzekeringsplichtigen (lage bijdrage) zijn in 2017 5,4% (2016: 5,5%) verschuldigd over hun bijdrage-inkomen tot een maximum van € 2.899 (2016: € 2.901). Dit lagere percentage geldt onder meer voor zelfstandigen, AOW’ers, ondernemers en pensioengerechtigden.

Toekomstvoorzieningen

Verhoging AOW-leeftijd
De AOW-leeftijd wordt in stapjes verhoogd naar 67 jaar en 3 maanden in 2022. Vanaf 1 januari 2017 is de AOW-leeftijd 65 jaar en 9 maanden. Dat wil zeggen dat iedereen die is geboren na 30 juni 1951 en voor 1 april 1952 in 2017 recht krijgt op AOW.

Verhoging aftoppingsgrens lijfrente- en pensioenopbouw
Sinds 2015 is het inkomen waarover bruto pensioen of een bruto lijfrente opgebouwd kan worden gemaximeerd. Het maximum inkomen waarover bruto lijfrente- en pensioenopbouw mogelijk is, is in 2017 verhoogd tot € 103.317 (2016: € 101.519).

Verkorting duur WW-uitkering en WGA-uitkering
Sinds 2016 wordt de maximale WW-duur per kwartaal verlaagd. Tot 2016 was de maximale duur nog 38 maanden. Iemand die in het eerste kwartaal van 2017 wordt ontslagen, krijgt nog maximaal 33 maanden WW. Hetzelfde geldt voor iemand die in het eerste kwartaal van 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangt.

Aanpassing Wet Werk en Zekerheid (WWZ)
Sinds 1 januari 2015 is de WWZ (deels) in werking getreden. Een half jaar later zijn andere delen van de wet in werking getreden. Het doel van deze wet was onder meer om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken werknemers in vaste dienst te nemen. De wet blijkt echter averechts te werken. De wet is daarom op bepaalde punten aangepast in de loop van 2016. Voor de Basisadviseur is het op dit moment relevant de volgende zaken te weten:

  • Wat de ketenbepaling inhoudt
    Werkgevers kunnen werknemers een tijdelijk contract aanbieden. Na afloop van dat contract, kan worden besloten of er opnieuw een tijdelijk contract wordt aangeboden of niet. Om onzekerheid bij werknemers over verlenging van hun contract weg te nemen, geldt de ‘ketenbepaling’. Dat wil zeggen dat een werknemer automatisch in vaste dienst komt (voor onbepaalde tijd) wanneer:

    • meer dan 3 elkaar opvolgende tijdelijke contracten zijn afgesloten; of
    • langer dan 2 jaar gebruik gemaakt is van elkaar opvolgende tijdelijke contracten.
    • Wat de voorgenomen route voor ontslag is
      Voor werkgevers was er tot 1 juli 2015 soms onduidelijkheid over de te volgen route van ontslag. Sinds 1 juli zijn er twee mogelijkheden:

      • Ontslagroute via het UWV – dit kan alleen bij ontslag vanwege bedrijfseconomische omstandigheden of vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid
      • Ontslagroute via de kantonrechter – voor alle andere gevallen.
      • Wat de transitievergoeding inhoudt
        Bij ontslag is door invoering van de WWZ vastgesteld op welke ontslagvergoeding een ontslagen werknemer recht heeft. Dit heet sindsdien een transitievergoeding. Werknemers die minimaal 2 jaar in dienst zijn geweest hebben recht op een transitievergoeding (dus ook werknemers met tijdelijke contracten die dan aflopen).
        De hoogte van de transitievergoeding is afhankelijk van het aantal dienstjaren van de ontslagen werknemer. De eerste 10 jaar geldt dat de transitievergoeding 1/3e van het maandsalaris is per gewerkt jaar. Voor de jaren daarboven geldt ½ maandsalaris per dienstjaar. De maximale transitievergoeding is in 2017 € 77.000 (2016: € 76.000).

Overige relevante wijzigingen

  • Op 1 april 2016 is de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) ingegaan. Vanwege de onduidelijke en onwenselijke gevolgen van de invoering van deze wet, is handhaving van deze wet uitgesteld tot in elk geval 2018. Het arbeidsrecht waarnaar deze nieuwe wet verwijst, is zodanig verouderd, dat onderzocht wordt of dit arbeidsrecht zelf eerst aangepast moet worden, voordat handhaving van de Wet DBA opportuun is.
  • Naast DigiD komt er, na een succesvolle proefperiode, een andere manier van identificatie: iDin. iDIN is een nieuwe dienst van de banken waarmee consumenten zich bij andere organisaties online kunnen identificeren, met de inlogmiddelen van hun eigen bank.
  • Sinds 1 januari is het wettelijk mogelijk pensioen op te bouwen via een Algemeen Pensioenfonds (APF). In de loop van 2016 hebben aan aantal partijen een vergunning voor oprichting van een APF aangevraagd bij De Nederlandsche Bank.
    Een APF is een pensioenfonds dat een financieel gescheiden uitvoering van meerdere pensioenregelingen mogelijk maakt (beschikbare premieregelingen, kapitaalovereenkomsten en uitkeringsovereenkomsten). Vrijwel elke partij, behalve een verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds, kan zich omvormen tot APF.

Bron: wftnu.nl, 2 januari 2017

 




Uit elkaar, wie mag de hypotheekrente aftrekken

Uit elkaar, wie mag de hypotheekrente aftrekken

Als u uit elkaar gaat dan kunt u de hypotheekrente aftrekken, afhankelijk van de situatie. Als u 50% van de hypotheekrente aftrekt, dan kunt u niet meer hypotheekrente aftrekken dan 50% in de nieuwe situatie. Als u de volledige hypotheeklasten betaalt in de nieuwe situatie, dan moet u de andere 50% aangeven als betaalde alimentatie en op die manier realiseert u de aftrekpost. Als u minder dan de 50% betaalt, dan aangeven als ontvangen alimentatie.

Mijn aandeel in de hypotheek is 50%

Tabel                                   Hypotheekrente deel    Betaalde alimentatie deel     Ontvangen alimentatie deel
Ik betaal alle rente             50%                                        50%                                         0%

Mijn ex betaalt alle rente  50%                                        0%                                           50%
We betalen ieder de helft  50%                                        0%                                            0%
Voorbeeld
Uw aandeel in de schuld is 60%. De totale hypotheekrente is 8.000 euro. Dan mag u 4.800 euro hypotheekrente aftrekken. Betaalt u alle rente, omdat u verplicht bent om uw ex te onderhouden en u hebt afgesproken om dat op deze manier te doen? Dan trekt u 4.800 euro af als hypotheekrente, en 3.200 euro als betaalde alimentatie.
Eigenwoningforfait aangeven
U geeft het eigenwoningforfait aan voor het deel dat u eigenaar bent van het huis. Het eigenwoningforfait is een percentage van de WOZ-waarde van uw woning. Dit bedrag telt u op bij uw inkomen.
Als u voor 50% eigenaar bent, moet u 50% van het eigenwoningforfait bij uw inkomen tellen. Uw ex geeft het resterende deel aan.
Let op!
Omdat uw ex niet meer in het huis woont en er dus geen gebruik meer van kan maken, moet u de andere 50% van het eigenwoningforfait aangeven als ontvangen alimentatie.
eigenwoningforfait   forfaitaftrek betaalde alimentatie   forfait ontvangen alimentatie
Ik geef 50% aan                  Ik mag 0% aftrekken                   Ik moet 50% aangeven
Mijn ex geeft 50% aan      Mijn ex mag 50% aftrekken        Mijn ex moet 0% aangeven

Bron: belastingdienst.nl




Belangrijkste onderwerpen Prinsjesdag 2016

Belangrijkste onderwerpen Prinsjesdag 2016

Op 20 september 2016 (Prinsjesdag) heeft het kabinet haar plannen voor 2017 bekend gemaakt. In dit artikel vatten we voor medewerkers die werkzaam zijn binnen het vakgebied Consumptief krediet de meest relevante onderwerpen van de overheidsplannen samen. Direct na Prinsjesdag bespreken de fractieleiders van de politieke partijen in de Kamer de hoofdlijnen van de miljoenennota en rijksbegroting. Dat gebeurt tijdens de ‘Algemene Politieke Beschouwingen’. Alle ministers, staatssecretarissen en Tweede Kamerleden zijn hierbij aanwezig. In dit belangrijk debat wordt uiteindelijk duidelijk welke ruimte het kabinet heeft om de plannen daadwerkelijk uit te voeren. Wat in deze samenvatting wordt genoemd, is dus nog geen absolute zekerheid

Wijzigingen in de Inkomstenbelasting
Voor Consumptief krediet zijn de wijzigingen met betrekking tot de tarieven in box 1 belangrijk. Daarnaast gaat in 2017 de aangekondigde vermogensrendementsheffing in box 3 sterk veranderen. De details hierover zijn terug te vinden in het artikel Wft Basis over Prinsjesdag.

Minimumloon
Werknemers moeten een minimumloon verdienen waarvan ze kunnen rondkomen. Daarom wordt de leeftijd waarop werknemers recht krijgen op het volledige minimumloon vanaf 1 juli 2017 in stappen verlaagd. Vanaf 1 juli 2017 hebben 22-jarigen recht op het volledige minimumloon. In de bijlagen is een tool waarmee berekend kan worden welk bedrag een werknemer minimaal behoort te verdienen per maand, week , dag en uur. Voor een fulltime of parttime baan.

De leeftijd waarvoor het volledige minimumloon geldt, wordt naar verwachting op 1 juli 2019 verder omlaag naar 21 jaar.

Daarnaast heeft het kabinet besloten dat een werkgever evenredig meer loon moet doorbetalen, als deze werknemer meer dan 40 uur per week werkt.

Schulden
Mensen die diep in de schulden zitten, komen hier moeilijk uit. Het kabinet wil dat gemeenten hun inwoners helpen om hun schulden af te lossen. Om uit die schulden te komen, kan het soms nodig zijn even een adempauze te krijgen.

Adempauze
Gemeentelijke schuldhulpverlening heeft nu al de mogelijkheid om afspraken te maken met schuldeisers om een pauze in te lassen bij het incasseren. Maar dit kan de schuldhulpverlening nog niet afdwingen. Als één schuldeiser niet wil meewerken aan een door de schuldhulpverlening opgezette regeling, mislukt deze.

Met ingang van 1 januari 2017 kunnen gemeenten naar de rechter stappen om een adempauze af te dwingen. Wijst de rechter de adempauze toe, dan moeten schuldeisers voor maximaal zes maanden hun incassoactiviteiten opschorten.

Het bedrag boven de beslagvrije voet (minimumnorm) dat niet geïncasseerd wordt, wordt apart gezet. De schuldenaar krijgt dit niet in handen. Met dit bedrag wordt aan het eind van het moratorium (de periode waarin de schuldeiser geen incassomaatregelen mag opleggen) geprobeerd een akkoord te bereiken met alle schuldeisers. Het geld dat opzij gezet is, wordt gebruikt om een deel van de schulden af te betalen. Zo proberen de schuldhulpverleners een minnelijk traject (een traject waarbij alle schuldeisers akkoord gaan met een regeling) tot stand te brengen.

Nieuwe beslagvrije voet loonbeslag per 2018
Het vereenvoudigen van de nieuwe rekenmethode voor de beslagvrije voet bij loonbeslag zou al in 2017 ingaan. Ondanks het feit dat de nieuwe rekenmethode al wel is verbeterd, blijkt hij nog steeds veel te ingewikkeld. Daarom heeft het kabinet besloten de invoeringsdatum te verschuiven naar 1 januari 2018.  Personen met schulden moeten aan hun financiële verplichtingen voldoen. Maar ze moeten ook voldoende middelen overhouden om in hun dagelijks levensonderhoud te voorzien. De noodzakelijke kosten voor levensonderhoud wordt de beslagvrije voet genoemd. Over dit bedrag mag de deurwaarder geen beslag leggen.

Nu moet de werknemer met schulden zelf gegevens aanleveren om de kosten van het noodzakelijke levensonderhoud aan te tonen. Dit gebeurt niet altijd op de juiste manier, waardoor er voor de werknemer een te lage beslagvrije voet kan worden vastgesteld. In de bijlage een tool waarmee berekend kan worden wat de beslagvrije voet is. Met de nieuwe rekentool is het aanleveren van gegevens door werknemer niet meer nodig.

Bron: wftnu.nl 21 september 2016