image_pdfimage_print

Prinsjesdag 2018

Op 18 september 2018 (Prinsjesdag) heeft het kabinet haar plannen voor 2019 bekendgemaakt. In dit artikel vatten we de voor medewerkers in de financiële dienstverlening meest relevante onderwerpen van de overheidsplannen samen. De dagen na Prinsjesdag volgen stevige discussies over de inhoud (de Algemene Politieke Beschouwingen). De ervaring leert dat er op basis van deze discussies nog veel kan veranderen. Wat in deze samenvatting wordt genoemd, is dus allerminst een absolute zekerheid. De komende dagen zullen er (kortere) berichten voor enkele andere Wft-modules worden gepubliceerd.

Troonrede – “Meer mensen moeten merken dat het goed gaat”
Na een tocht door Den Haag in de glazen koets, sprak de Koning de door het kabinet opgestelde Troonrede uit voor de leden van de Staten Generaal.

Koning Willem-Alexander refereerde aan het feit dat het volgend jaar 75 jaar geleden is (1944) dat grote delen van het land zijn bevrijd van de bezetter. Sindsdien is Nederland steeds sterker geworden in termen van welvaart, ondernemerschap en bestaanszekerheid. Ook economisch gaat het goed: 2019 is het zesde opeenvolgende jaar van groei. Het nationaal inkomen groeit naar verwachting met 2,6% en er is een begrotingsoverschot van 1%. De werkloosheid is historisch laag, met 3,5%.

Toch is een steeds beter land niet vanzelfsprekend. Vertrouwen in de toekomst is werk in uitvoering. De regering richt zich daarbij op ‘een hechte samenleving’. Daarom wordt aandacht besteed aan onder meer:

  • Eenzaamheid onder ouderen
  • Mensen met problematische schulden, met verward gedrag of zwerfjongeren
  • Cultureel erfgoed (€ 325 miljoen extra de resterende kabinetsperiode)
  • Integratie van statushouders

Verder is er een toename in koopkracht, volgens de Troonrede, die de kracht van de samenleving versterkt. Er komt bovendien een Wet Arbeidsmarkt in Balans, die schijnzelfstandigheid tegengaat, en werkgevers minder huiverig moet maken vast personeel aan te nemen. Ook mensen met een arbeidsbeperking moeten meer aan de slag. Overige punten uit de Troonrede:

  • Er komt overleg over het pensioenstelsel.
  • Het vestigingsklimaat voor bedrijven is belangrijk, reden om de dividendbelasting af te schaffen.
  • De zorguitgaven zijn nu al 25% van alle collectieve uitgaven; daarom zijn er akkoorden met stakeholders over kwaliteit en betaalbare zorg gemaakt.
  • Extra geld voor:
  • Infrastructuur.
  • Onderwijs.
  • Veiligheid (politie en defensie).
  • Aandacht voor de oververhitte woningmarkt.
  • De noodzaak van toekomstgericht klimaatbeleid.

Koopkrachtontwikkeling
In de Miljoenennota en Rijksbegroting 2019 gaan veel mensen erop vooruit, mede door geleidelijke invoering van een tweeschijvenstelsel in de Inkomstenbelasting (zie verderop). De regering stelt dat de koopkracht gemiddeld stijgt met 1,5%. Het Nibud berekent dat de koopkracht kan stijgen of dalen, afhankelijk van de persoonlijke situatie. Het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting noemt de koopkrachtontwikkelingen ‘grillig’.

Koopkrachtontwikkeling voor 2019 (bedragen netto per maand)
Bron: Nibud Procentueel In euro’s per maand
1. Paar, twee kinderen, bijstand + 1,3% + € 30
2. Alleenstaande, modaal, bruto jaarinkomen € 35.000 + 2,0% + € 43
3. Paar, 1 kind, alleenverdiener, bruto jaarinkomen € 40.000 + 1,2% + € 30
4. Paar 1 kind, tweeverdiener, bruto jaarinkomen € 25.000 en € 10.000 – 0,9% – € 26
5. Paar, 2 kinderen tussen de 0 en 12, alleenverdiener, bruto jaarinkomen € 75.000 + 0,5% + € 22
6. Paar, 2 kinderen tussen de 0 en 12, tweeverdiener, bruto jaarinkomens € 45.000 en € 25.000 + 1,2% + € 59
7. Paar, 2 kinderen tussen de 0 en 12, tweeverdiener, bruto jaarinkomens € 45.000 en € 25.000, 3 dagen bso + 2,0% + € 96
8. Alleenstaande ouderen, AOW, zonder aanvullend pensioen + 0,9% + € 13
9. Paar, AOW-gerechtigd met aanvullend pensioen, bruto jaarinkomen 2 x AOW + € 15.000 en € 10.000 aanvullend pensioen + 0,2% + € 5

Belangrijke kanttekeningen
Voor veel inwoners zou er een koopkrachtstijging zijn, maar juist voor lagere inkomens kan dit tegenvallen, zo stelt het Nibud. Dit is een gevolg van verhoging per 1 januari 2019 van het lagere BTW-tarief (van 6% naar 9%). Dit tarief geldt voor noodzakelijke uitgaven, zoals voeding, vervoer, kappers, et cetera. Verlaging van de tarieven inkomstenbelasting weegt voor sommige groepen (zeker met meerdere kinderen) daardoor niet op tegen de hogere uitgaven.

Verder stijgt de zorgpremie en wordt de belasting op energie met 50% verhoogd.

Een belangrijke kanttekening is te maken bij de koopkrachtberekeningen die uitgaan van een inflatie van 2,4% is en een loonstijging van 3,0%. Stijgt het loon niet, dan daalt de koopkracht dus, omdat deze circa 3% lager wordt dan de hierboven genoemde toenames. Overigens worden in de diverse Prinsjesdagstukken ook andere percentages genoemd (2,5% inflatie en 2,9% loonstijging, bijvoorbeeld). De koopkrachtplaatjes zijn echter gebaseerd op de eerder genoemde percentages. 

Inkomstenbelasting 2019
De tariefschijven in de inkomstenbelasting worden aangepast, zodat er naar een tweeschijvenstelsel wordt toegewerkt. Het tarief in de eerste schijf gaat licht omhoog (0,1%), maar daalt in 2019 in de tweede en derde schijf sterk (met 2,75%). Ook het tarief van de hoogste schijf gaat iets naar beneden (0,2%). De grens om in het hoogste tarief van de inkomstenbelasting te komen, ligt in 2019 op € 68.507 (gelijk aan 2018). Voorbeeld  tarieven inkomstenbelasting. Een belastingplichtige (jonger dan de AOW-leeftijd) verdient € 60.000 bruto per jaar.

De verschuldigde inkomstenbelasting in 2018 bedraagt:

1e schijf:             € 20.142 x 36,55% =                                 €   7.361
2e schijf:             (€ 33.994 -/- € 20.142) x 40,85% =           €   5.658
3e schijf:             (€ 60.000 -/- € 33.994) x 40,85% =           € 10.623
4e schijf:                            nihil x 51,95%                                  nihil
Totaal:                                                                                   € 23.642

De verschuldigde inkomstenbelasting in 2019 bedraagt:

1e schijf:              € 20.384 x 36,65% =                                 €   7.470
2e schijf:              (€ 34.300 -/- € 20.384) x 38,10% =           €   5.301
3e schijf:              (€ 60.000 -/- € 34.300) x 38,10% =           €   9.791
Totaal:                                                                                   € 22.562

Verschil: € 1.080 minder inkomstenbelasting in 2019.

Op basis van deze berekening lijkt de koopkracht voor deze persoon met € 90 per maand toe te nemen. Hij is immers in beginsel € 1.080 minder inkomstenbelasting verschuldigd. Toch ligt het genuanceerder.

Heffingskortingen 

Algemene heffingskorting
Een ander belangrijk onderdeel van de inkomstenbelasting, is het systeem van de heffingskortingen. Er zijn vele verschillende heffingskortingen. De maximale algemene heffingskorting wordt verhoogd van € 2.265 naar € 2.477, en de afbouw van deze heffingskorting (voor inkomens boven de € 20.384) gaat sneller dan in 2018.

Voorbeeld afbouw algemene heffingskorting bij een bruto inkomen van € 60.000, is de algemene heffingskorting:

In 2018: In 2019:
Het maximum van € 2.265 -/- de afbouw.
De afbouw bedraagt 4,683% over het inkomen boven de € 20.142. Dat is 4,683% x € 39.858 = € 1.867.
Totale algemene heffingskorting: € 2.265 -/- € 1.867 = € 398.
Het maximum van € 2.477 -/- afbouw.
De afbouw bedraagt 5,147% over het inkomen boven de € 20.384. Dat is 5,147% x € 39.616 = € 2.039.
Totale algemene heffingskorting: € 2.477-/- € 2.039 = € 438.

De algemene heffingskorting voor iemand met een inkomen van € 60.000 neemt dus toe met € 40.

Arbeidskorting
De arbeidskorting gaat omhoog van € 3.249 naar € 3.399. De arbeidskorting neemt met 6% af boven een inkomen van € 34.060. In 2018 is de afname nog beperkt tot 3,6%.

Voorbeeld afbouw arbeidskorting bij een bruto inkomen van € 60.000, is de arbeidskorting:

In 2018: In 2019:
Het maximum van € 3.249 -/- afbouw.
De afbouw is 3,6% over het inkomen boven de € 33.112. Dat is 3,6% x € 26.888 = € 967.
De arbeidskorting bedraagt dus € 3.249 -/- € 967 = € 2.282.
Het maximum van € 3.399 -/- afbouw.
De afbouw is 6% over het inkomen boven de € 34.060. Dat is 6% x € 25.940 = € 1.556.
De arbeidskorting bedraagt dus € 3.399 -/- € 1.556 = € 1.843.

De arbeidskorting in 2019 is dus € 439 lager dan in 2018.

Een alleenstaande met een inkomen van € 60.000 gaat er op vooruit in 2019:

Effect tarieven inkomstenbelasting:  + € 1.080 (minder IB, meer inkomen)
Effect Algemene heffingskorting:  + €     40
Effect Arbeidskorting: -/- €   439
Totaal:  + €    681

Dat is een vooruitgang van 1,87% op het netto inkomen. Bij een inflatie van 2,4% zou dit een achteruitgang zijn. Vandaar dat de overheid uitgaat van een loonstijging van 3,0%. Deze belastingplichtige moet ook nog zijn boodschappen doen en de zorgpremie betalen, net als zijn energierekening. Die drie grote uitgavenposten nemen allen toe. Daarmee wordt rekening gehouden in de koopkrachtmeting.

Ouderenkorting
De ouderenkorting voor pensioengerechtigden met een laag inkomen, gaat € 178 omhoog naar € 1.596 (2018: €1.418). Wel wordt vanaf 2019 voor het eerst de ouderenkorting afgebouwd en wel met 15% voor zover het inkomen uitkomt boven de € 36.783.

Inkomensafhankelijke combinatiekorting
Overige heffingskortingen veranderen nauwelijks in hoogte. Wel zal de Inkomensafhankelijke Combinatiekorting (IACK) niet meer gelden voor iemand met een uitkering in het kader van de Ziektewet. Nu al geldt de IACK niet voor iemand in de WW. Als iemand in de WW ziek wordt, krijgt hij een ZW-uitkering, waarvoor de IACK weer wel geldt en hij er netto op vooruit gaat. Dat verschil vindt de regering vreemd. Daarom krijgt iemand in de ZW vanaf 2019 geen recht meer op IACK.

Bovendien verandert de opzet van de IACK. In 2018 is er nog een basisbedrag van € 1.052, die boven een bepaald inkomen toe kan nemen tot maximaal € 2.801.

In 2019 verdwijnt het basisbedrag. De IACK begint op € 0 en neemt dan toe met 11,45% van het inkomen tot maximaal € 2.801.

Recht op heffingskortingen voor buitenlandse belastingplichtigen
Het recht op heffingskortingen voor buitenlands belastingplichtigen wordt beperkt. Hierdoor hebben buitenlands belastingplichtigen meestal minder recht op heffingskortingen vanaf 2019.

De totale belastingdruk stijgt in 2019 naar 39,2% (2018: 38,6%; in 2013 was dit nog maar iets meer dan 33%). In de 39,2% belastingdruk zit wel de BTW-verhoging verdisconteerd.

Afbouw aftrektarief vanaf 2020
Er zijn diverse aftrekbare kosten (aftrekbaar van het belastbaar inkomen in box 1). Vanaf 2020 wordt het tarief waarover aftrek mogelijk is, versneld afgebouwd voor:

  • Aftrekbare kosten eigen woning (was al deels voorzien).
  • Ondernemersaftrek.
  • MKB-winstvrijstelling.
  • Terbeschikkingstellingvrijstelling.
  • Persoonsgebonden aftrek (zoals alimentatie).

Verloop beperken aftrektarief 2018 t/m 2023

Jaar 2018  2019  2020  2021  2022  2023 
Maximaal aftrektarief aftrekbare kosten eigen woning 49,5% 49,0% 46,0% 43,0% 40,0% 37,05%
Maximaal aftrektarief andere grondslagverminderende posten (werkt pas vanaf 2020) 51,95% 51,75% 46,0% 43,0% 40,0% 37,05%

De aftrek zal in 2023 beperkt zijn tot het tarief van de eerste schijf (37,05%).

Volledig tweeschijvenstelsel  vanaf 2021
Vanaf 2021 zijn er nog maar twee belastingschijven: van 37,05% tot een inkomen van € 68.507 (vorig jaar ging de regering overigens nog uit van een eerste schijf van 36,93%). Daarboven is het tarief 49,5%. Daarbij moet men er rekening mee houden dat de grens waarop het hoogste tarief bereikt wordt, van 2018 tot en met 2024 wordt bevroren. Die grens blijft dus € 68.507. Deze bevriezing raakt hiermee circa 90.000 huishoudens.

Voor AOW-gerechtigden geldt nog wel een drieschijvenstelsel, omdat zij geen premies volksverzekeringen hoeven af te dragen.

Verhogen zorgtoeslag en kindregelingen
De zorgtoeslag wordt verhoogd voor lage inkomens. De verhoging is voor een stel echter veel hoger dan voor een alleenstaande. Voor beiden wordt de zorgtoeslag verhoogd vanwege de hogere zorgpremie, maar vervolgens wordt daar € 3 per jaar voor een alleenstaande op in mindering gebracht. Een stel krijgt er maximaal  € 92 per jaar bij. De inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet wordt daarentegen verhoogd naar 5,7% (2018: 5,65%).

Tot slot worden de Kinderbijslag en het Kindgebonden budget licht verhoogd. De kinderopvang zelf moet minder gaan kosten in de plannen van de regering.

Vermogensrendementsheffing 2019
Hoewel er herhaaldelijk op is aangedrongen om het werkelijke rendement op vermogen te belasten, zal dat in 2019 nog niet gebeuren. Wel zijn de fictieve rendementen in de 2 rendementsklassen (sparen en beleggen) gepubliceerd, op grond waarvan het belast inkomen uit vermogen wordt vastgesteld.

Het rendement op sparen wordt op 1 januari 2019 gesteld op 0,13% (2018: 0,36%).

Het rendement op beleggingen wordt op 1 januari 2019 gesteld op 5,60% (2018: 5,38%).

Omdat ook de vrijstelling verhoogd wordt naar € 30.360 (2018: € 30.000), en de grens van de tarieven wordt geïndexeerd, ziet de vermogensrendementsheffing er vanaf 2019 als volgt uit:

Vermogen boven vrijstelling van € 30.360 Gemiddeld rendement Belastingdruk (30%)
0 – € 71.650 1,94% (2018: 2,02%) 0,582% (2018: 0,606%)
€ 71.651 – € 989.736 4,45% (2018: 4,33%) 1,335% (2018: 1,299%)
Meer dan € 989.736 5,60% (2018: 5,38%) 1,680% (2018: 1,614%)

Sociale zekerheid
Er is weinig groot nieuws op het gebied van sociale zekerheid. De huidige belangrijkste Sociale Zekerheidswetten, zoals AOW, Anw, WIA en WW, veranderen niet. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaat wel een actieplan opzetten om de krapte op de arbeidsmarkt aan te pakken. Overige globale punten binnen de Sociale Zekerheid zijn:

  • Wetsvoorstel Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB). Die moet voorkomen dat een werkgever die ‘fatsoenlijk’ met zijn werknemers omgaat, concurrentienadeel ondervindt van bedrijven die constructies bedenken om lonen te drukken en risico’s af te wentelen Voorbeelden van genoemde maatregelen in de WAB zijn:
    • Risico’s van het aannemen van vast personeel wegnemen voor werkgevers (zoals loondoorbetaling bij ziekte);
    • Compensatie van de transitievergoeding (voor kleine werkgevers) als de plicht deze te betalen het gevolg is van bedrijfsbeëindiging, pensionering of ziekte.
    • Verruimde mogelijkheden met een proeftijd;
    • Lagere WW-premie voor vaste dan voor flexibele werknemers;
    • (Nog) meer mogelijkheden om af te wijken van de ketenbepaling (waardoor iemand minder snel vast in dienst komt);
    • Payroll-organisaties mogen niet afwijken in arbeidsvoorwaarden.
  • Er komt een plan om zelfstandigen en hun opdrachtgevers meer duidelijkheid te geven over hun positie op de arbeidsmarkt (wel of geen dienstbetrekking). Onderzoek naar de mogelijkheden ter verduidelijking, loopt nog.
  • Hetzelfde geldt voor het plan om het Pensioenstelsel te herzien.
  • Er komen allerlei actieplannen om mensen meer ‘mee te laten doen’: dit geldt voor werklozen, arbeidsbeperkten en immigranten met een verblijfsvergunning/statushouders.
  • Hoewel de minister aangeeft dat werken ook moet leiden tot minder mensen met schulden, wordt er ook opnieuw bekeken hoe problematische schulden beter voorkomen kunnen worden.
  • Partners krijgen één week geboorteverlof als hun vrouw of vriendin net is bevallen. Dit doorbetaalde verlof is nu nog twee dagen. Ook mogen ze het eerste half jaar vijf weken onbetaald vrij nemen met recht op een UWV-uitkering van 70 % van hun loon. Met een maximum van € 3.185 per maand. Vanaf juli 2020.

Bron: https://www.consis-pa.nl/artikel/10167-prinsjesdag-basis.html

Begunstigde en nalatenschap

Begunstigde en nalatenschap

Veel huishoudens hebben een levensverzekering of een overlijdensrisico verzekering afgesloten, om de overblijvende partner financieel goed achter te laten. Het is van groot belang om de begunstigde goed te omschrijven en af te stellen op het doel van de verzekering. Er zijn diverse mogelijkheden op fiscaal als erfrechtelijk gebied. Een goede omschrijving kan veel geld schelen en eventuele problemen met erfgenamen voorkomen.

Nalatenschap en erfenis

Een uitkering van een overlijdensrisico verzekering(ORV) kan zowel binnen de nalatenschap als buiten de nalatenschap vallen. In het geval van een ORV is er sprake van de verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde en premie betaler.

Huwelijk.

Voorbeeld 1: Rob en Marijn zijn gehuwd in gemeenschap van goederen, er is geen testament en zij hebben beide een kind uit een vorig huwelijk. Rob sluit een ORV af bij maatschappij X en Rob is de verzekeringnemer, de premiebetaler, de verzekerde en Marijn is de begunstigde. In geval van het overlijden van Rob, zal de uitkering naar Marijn gaan, zij is immers de begunstigde. In dit geval, valt de uitkering buiten de nalatenschap van Rob. Marijn heeft als begunstigde de uitkering gekregen op grond van een overeenkomst(HR: Weduwe Veltman).

De standaard begunstiging is:

  1. verzekeringnemer;
  2. echtgeno(o)t(e) of partner van de verzekeringnemer;
  3. kinderen van de verzekeringnemer;
  4. andere erfgenamen van de verzekeringnemer.
Samenwonen.

Voorbeeld 2: Rob en Marijn gaan samenwonen, er is geen testament en zij hebben beide een kind uit een vorig huwelijk. Rob heeft ten tijde van zijn huwelijk een ORV afgesloten bij maatschappij X en Rob is de verzekeringnemer, de premiebetaler en er is sprake van een standaard begunstiging. In geval van overlijden zal de uitkering naar de weduwe gaan, Er is in dit voorbeeld nu geen sprake van een weduwe. De uitkering gaat nu naar het kind van Rob. Als dit bedoeling was, is dat prima, maar als de uitkering voor de overblijvende partner was bedoeld, dan gaat het mis. Het is van belang de begunstiging aan te passen aan de gewenste situatie.

Partnerverklaring.

Veelal wordt een ORV gesloten als dekking voor een hypotheekschuld. De hypotheekverstrekker verlangt een dekking bij overlijden van een schuldenaar. De uitkering dient te worden gebruikt ter aflossing van de hypotheekschuld of een deel ervan. Dat kan d.m.v. verpanding van de uitkering aan de verzekeraar. Dat betekent dat de uitkering rechtstreeks wordt gebruikt om de hypotheekschuld te verlagen. Het kan ook via een zogenoemde partnerverklaring waarbij de overblijvende partner verklaart de verkregen uitkering te gebruiken om de hypotheekschuld daarmee te verlagen. In beide gevallen valt de uitkering buiten de nalatenschap en toch beïnvloedt het de hoogte van de nalatenschap.

In geval van verpanding aan de hypotheekverstrekker, zal de hypotheekschuld direct worden verlaagd. dit betekent een lagere hypotheekschuld en dus een hoger vermogen en daarmee nalatenschap.

In geval van een partnerverklaring krijgt de weduwe de uitkering en zij zal met die uitkering de hypotheek verlagen. Op het oog lijkt er geen verschil met de bovenstaande situatie, maar is wel degelijk een verschil. De verlaging van de hypotheekschuld wordt nu gedaan door eigen geld die de weduwe van de verzekeraar heeft gekregen, de erfgenamen krijgen daardoor een voordeel van een lagere hypotheekschuld en daardoor een hogere nalatenschap. De weduwe krijgt hierdoor een vordering op de erfgenamen ter grootte van het bedrag van de verzekeringsuitkering.

Zonder partnerverklaring.

Voorbeeld 1: Rob en Marijn zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Ze hebben een gezamenlijke woning met een waarde van € 300.000, – en hun hypotheekschuld is € 250.000, -. Het verzekerd bedrag van de ORV is € 150.000, -. De ORV is verpand aan de hypotheekverstrekker zonder partner verklaring. In het geval van overlijden van Rob, wordt de uitkering van € 150.000, – direct aangewend ter aflossing van de hypotheekschuld. De nalatenschap van Rob is dan 50% van de waarde van de woning minus de hypotheekschuld. 50%(300.000-(250.000-150.000)) is € 100.000, – Dit bedrag zal worden verdeeld aan de weduwe en kinderen.Elk een derde deel van € 100.000, -. De kinderen krijgen een vordering op Marijn op grond van de langstlevende partner en Marijn krijgt een voordeel van een lagere schuld. Marijn hoeft geen erfbelasting te betalen door de hoge vrijstelling voor gehuwden. De kinderen worden wel belast met erfbelasting.

Met partnerverklaring.

Voorbeeld 2: Rob en Marijn zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Ze hebben een gezamenlijke woning met een waarde van € 300.000, – en hun hypotheekschuld is € 250.000, -. Het verzekerd bedrag van de ORV is € 150.000, -. De ORV is verpand aan de hypotheekverstrekker met partner verklaring. In het geval van overlijden van Rob, wordt de uitkering van € 150.000, – aan Marijn uitgekeerd die op haar beurt de hypotheekschuld met deze uitkering verlaagt. De nalatenschap van Rob is dan 50% van de waarde van de woning minus de hypotheekschuld. 50%(300.000-250.000) is € 50.000, – Dit bedrag zal worden verdeeld aan de weduwe en kinderen. Elk een derde deel van € 50.000, -. De kinderen krijgen een vordering op Marijn op grond van de langstlevende partner en Marijn krijgt een voordeel van een lagere schuld. Marijn hoeft geen erfbelasting te betalen door de hoge vrijstelling voor gehuwden. De kinderen worden nu lager belast met erfbelasting over een bedrag van 1/3(50.000) i.p.v. 1/3(100.000).

Het komt erop neer dat de combinatie van verzekeren, wensen, nalatenschap en belastingen, maatwerk is. Breng de wensen en het doel goed in kaart en laat je goed adviseren.

R.E. Wilbrink, 10 februari 2017.

 

 

 

Wijzigingen per 1 januari 2017

Wijzigingen per 1 januari 2017

Op 1 januari 2017 zijn enkele wetten aangepast, die van invloed zijn op het geven van een passend financieel advies. In dit bericht geven we, met betrekking tot de module Basis, daarvan een beknopt overzicht. De komende dagen wordt de nieuwe wetgeving voor de andere modules gepubliceerd.

 

 

 

Werk en Inkomen

Wettelijk minimumloon en uitkeringsbedragen
De bruto bedragen van het wettelijk minimumloon en het minimumjeugdloon zijn per 1 januari 2017 gestegen. De meeste uitkeringen, zoals de AOW, Bijstandsuitkering en de Wajong, zijn ook gewijzigd. Deze uitkeringen zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon.

Maximum dagloon
Het maximum dagloon is verhoogd, waardoor ook de maximale uitkeringen in het kader van WW of WIA verhoogd.

Tarieven box 1

De tarieven voor de inkomstenbelasting in box 1 zijn voor 2017 als volgt:

Jonger dan AOW-leeftijd
  Belastbaar inkomen meer dan doch niet meer dan totaal tarief heffing over totaal van de schijven
Eerste schijf € 19.982 36,55% €   7.303
Tweede schijf € 19.982 € 33.791 40,80% € 12.937
Derde schijf € 33.791 € 67.072 40,80% € 26.515
Vierde schijf € 67.072   52%  
AOW-leeftijd en ouder geboren vanaf 1 januari 1946
  Belastbaar inkomen meer dan doch niet meer dan totaal tarief heffing over totaal van de schijven
Eerste schijf € 19.982 18,65% € 3.726
Tweede schijf € 19.982 € 33.791 22,90% € 6.888
Derde schijf € 33.791 € 67.072 40,80% € 20.466
Vierde schijf € 67.072   52%  
AOW-leeftijd en ouder geboren voor 1 januari 1946
  Belastbaar inkomen meer dan doch niet meer dan totaal tarief heffing over totaal van de schijven
Eerste schijf € 19.982 18,65% € 3.726
Tweede schijf € 19.982 € 34.130 22,90% € 6.965
Derde schijf € 34.130 € 67.072 40,80% € 20.405
Vierde schijf € 67.072   52%  

 

Een deel van de te betalen belasting bestaat uit premies volksverzekeringen. Het tarief voor deze premies volksverzekeringen is in totaal 27,65% (2016: 28,15%). De premies volksverzekeringen bestaan uit premies voor de AOW (17,9%), Anw (0,1%) en Wlz (9,65%). De verlaging van de premies komt geheel voor rekening van de Anw-premie (2016: 0,5%).

Wijzigingen heffingskortingen

  • De algemene heffingskorting is maximaal € 2.254 (2016: € 2.242). Voor zover het belastbaar inkomen hoger is dan € 19.982 wordt deze heffingskorting verlaagd met 4,787% (2016: 4,822%). Voor inkomens van € 67.068 of meer betekent dit dat de algemene heffingskorting nihil is.
    Als er een minder of niet verdienende partner is, kan deze de algemene heffingskorting deels zelf verkrijgen. Het percentage waarop de minst verdienende partner zelfstandig recht heeft is maximaal 40% (of wel € 902), maar nooit meer dan wat de meest verdienende partner nog als inkomstenbelasting is verschuldigd.
  • De arbeidskorting is maximaal € 3.223 (2016: € 3.103). Voor zover het belastbaar inkomen hoger is dan € 32.444 wordt deze heffingskorting verlaagd met 3,6% (2016: 4%). Voor inkomens boven de € 121.971 is de arbeidskorting nihil. Voor belastbare inkomens tot € 20.108 is de arbeidskorting lager dan het maximum.
  • De inkomensafhankelijke combinatiekorting voor inkomens vanaf € 4.895 is maximaal € 1.043 (2016: € 1.039). Voor zover het belastbaar inkomen hoger is dan € 4.895 wordt de korting verhoogd met 6,159% (ongewijzigd) tot maximaal € 2.778 (2016: € 2.769). Dit maximum wordt bereikt bij een belastbaar inkomen van € 33.065.

Kindregelingen
Voor gezinnen met kinderen zijn de volgende kindregelingen aangepast:

  • Het Kindgebonden budget is € 1.142 (2016: € 1.038) voor het eerste kind. Voor het tweede kind  is dit      € 895 (2016: € 830) en voor het derde en volgende kind € 285 (2016: € 284) per kind.
  • De Kinderopvangtoeslag is ook verhoogd. Het maximumtarief (afhankelijk van de instelling die de opvang regelt) is € 7,18 per uur (2016: € 6,89).

Wijzigingen box 3
Het forfaitaire rendement op vermogen wordt vanaf 2017 anders vastgesteld dan in de jaren van 2001 tot en met 2016. Tot en met 2016 werd uitgegaan van een rendement van 4% over het vermogen, dat tegen 30% werd belast. Vanaf 2017 wordt uitgegaan van een rendement op vermogen dat afhankelijk is van de hoogte van dat vermogen. Het uitgangspunt daarbij is dat hoe hoger iemands vermogen is, des te groter het deel is dat belegd wordt. Omdat beleggen een hoger rendement zou opleveren dan sparen, wordt het rendement voor hogere vermogens geacht ook hoger te zijn.

Het rendement op sparen wordt gesteld op 1,63%. Het rendement op beleggen wordt gesteld op 5,39%. Er geldt een vrijstelling van € 25.000 (2016: € 24.437) per belastingplichtige. Dat leidt tot de volgende staffels:

Grondslag sparen en beleggen

(na aftrek vrijstelling)

Spaardeel (1,63%) Beleggingsdeel (5,39%) Forfaitair rendement Effectieve belasting (30%)
Tot en met € 75.000 67% 33% 2,87% 0,86%
Van € 75.000 tot en met € 975.000 21% 79% 4,60% 1,38%
Vanaf € 975.000 0% 100% 5,39% 1,62%

 

Naast de eerder genoemde algemene vrijstelling, geldt een extra vrijstelling voor groene beleggingen van € 57.385 (2016: € 57.213). Ook voor een uitvaart- of overlijdensrisicoverzekering in box 3 geldt een extra vrijstelling van € 6.977 (2016: € 6.956) per belastingplichtige. Tot slot geldt er een vrijstelling van contant geld van € 522 (2016: €520) per belastingplichtige.

Schulden komen in mindering op de grondslag sparen en beleggen, waarbij de eerste € 3.000 per belastingplichtige niet als schuld telt (ongewijzigd ten opzichte van 2016).

Vanaf 2017 geldt dat verplichtingen in de vorm van kinderalimentatie niet meer kunnen worden opgegeven als schuld in box 3.

Wonen

Eigenwoningforfait
De tarieven voor de bijtelling van het eigenwoningforfait blijven ongewijzigd voor alle woningen. Ook voor woningen met een WOZ-waarde boven de € 1.060.000 blijft het bijtellingspercentage in 2017 gelijk aan dat van 2016.  

Maximale belastingtarief hypotheekrenteaftrek omlaag
Vanaf 2014 daalt het maximale belastingtarief waartegen hypotheekrente kan worden afgetrokken met 0,5%.Voor 2017 geldt een maximaal aftrekpercentage van 50%.

Extra verhoogde schenkingsvrijstelling
In 2014 was het mogelijk onbelast € 100.000 te schenken ten behoeve van de eigen woning. Sinds 1 januari 2015 is deze extra vrijstelling vervallen. In 2017 is deze echter weer verhoogd voor iedere ontvanger tussen de 18 en 40 jaar, mits hij de schenking benut voor de eigen woning.

De schenking mag bovendien worden gespreid over 3 opeenvolgende kalenderjaren.

Er geldt wel een ingewikkelde overgangsregeling: ontvangers van een schenking die al eerder een schenking hebben gekregen, kunnen hierdoor gekort worden op de vrijstelling.

Zorg

Verplicht eigen risico blijft gelijk op € 385
In 2017 bedraagt het verplicht eigen risico van de zorgverzekering € 385 (ongewijzigd). Dit eigen risico geldt voor alle verzekerden vanaf 18 jaar.

Wijzigingen zorgtoeslag in 2017
De zorgtoeslag is in 2017 maximaal € 88 (2016: € 83) per maand voor alleenstaanden en € 170 (2016: € 158) voor iedereen met een toeslagpartner. De toeslag vervalt voor alleenstaanden boven een inkomen van € 27.500 en voor partners met een gezamenlijk inkomen boven de € 35.000.

Ook boven een bepaald vermogen geldt dat er geen recht meer bestaat op zorgtoeslag.

Maximum bijdrage-inkomen Zorgverzekeringswet (Zvw) verandert
In 2017 bedraagt het maximum bijdrage-inkomen voor de Zvw op jaarbasis € 53.697 (2016: € 52.763). Het percentage inkomensafhankelijke hoge bijdrage voor de Zvw is gedaald naar 6,65% (2016: 6,75%). Verzekeringsplichtigen (lage bijdrage) zijn in 2017 5,4% (2016: 5,5%) verschuldigd over hun bijdrage-inkomen tot een maximum van € 2.899 (2016: € 2.901). Dit lagere percentage geldt onder meer voor zelfstandigen, AOW’ers, ondernemers en pensioengerechtigden.

Toekomstvoorzieningen

Verhoging AOW-leeftijd
De AOW-leeftijd wordt in stapjes verhoogd naar 67 jaar en 3 maanden in 2022. Vanaf 1 januari 2017 is de AOW-leeftijd 65 jaar en 9 maanden. Dat wil zeggen dat iedereen die is geboren na 30 juni 1951 en voor 1 april 1952 in 2017 recht krijgt op AOW.

Verhoging aftoppingsgrens lijfrente- en pensioenopbouw
Sinds 2015 is het inkomen waarover bruto pensioen of een bruto lijfrente opgebouwd kan worden gemaximeerd. Het maximum inkomen waarover bruto lijfrente- en pensioenopbouw mogelijk is, is in 2017 verhoogd tot € 103.317 (2016: € 101.519).

Verkorting duur WW-uitkering en WGA-uitkering
Sinds 2016 wordt de maximale WW-duur per kwartaal verlaagd. Tot 2016 was de maximale duur nog 38 maanden. Iemand die in het eerste kwartaal van 2017 wordt ontslagen, krijgt nog maximaal 33 maanden WW. Hetzelfde geldt voor iemand die in het eerste kwartaal van 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangt.

Aanpassing Wet Werk en Zekerheid (WWZ)
Sinds 1 januari 2015 is de WWZ (deels) in werking getreden. Een half jaar later zijn andere delen van de wet in werking getreden. Het doel van deze wet was onder meer om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken werknemers in vaste dienst te nemen. De wet blijkt echter averechts te werken. De wet is daarom op bepaalde punten aangepast in de loop van 2016. Voor de Basisadviseur is het op dit moment relevant de volgende zaken te weten:

  • Wat de ketenbepaling inhoudt
    Werkgevers kunnen werknemers een tijdelijk contract aanbieden. Na afloop van dat contract, kan worden besloten of er opnieuw een tijdelijk contract wordt aangeboden of niet. Om onzekerheid bij werknemers over verlenging van hun contract weg te nemen, geldt de ‘ketenbepaling’. Dat wil zeggen dat een werknemer automatisch in vaste dienst komt (voor onbepaalde tijd) wanneer:

    • meer dan 3 elkaar opvolgende tijdelijke contracten zijn afgesloten; of
    • langer dan 2 jaar gebruik gemaakt is van elkaar opvolgende tijdelijke contracten.
    • Wat de voorgenomen route voor ontslag is
      Voor werkgevers was er tot 1 juli 2015 soms onduidelijkheid over de te volgen route van ontslag. Sinds 1 juli zijn er twee mogelijkheden:

      • Ontslagroute via het UWV – dit kan alleen bij ontslag vanwege bedrijfseconomische omstandigheden of vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid
      • Ontslagroute via de kantonrechter – voor alle andere gevallen.
      • Wat de transitievergoeding inhoudt
        Bij ontslag is door invoering van de WWZ vastgesteld op welke ontslagvergoeding een ontslagen werknemer recht heeft. Dit heet sindsdien een transitievergoeding. Werknemers die minimaal 2 jaar in dienst zijn geweest hebben recht op een transitievergoeding (dus ook werknemers met tijdelijke contracten die dan aflopen).
        De hoogte van de transitievergoeding is afhankelijk van het aantal dienstjaren van de ontslagen werknemer. De eerste 10 jaar geldt dat de transitievergoeding 1/3e van het maandsalaris is per gewerkt jaar. Voor de jaren daarboven geldt ½ maandsalaris per dienstjaar. De maximale transitievergoeding is in 2017 € 77.000 (2016: € 76.000).

Overige relevante wijzigingen

  • Op 1 april 2016 is de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) ingegaan. Vanwege de onduidelijke en onwenselijke gevolgen van de invoering van deze wet, is handhaving van deze wet uitgesteld tot in elk geval 2018. Het arbeidsrecht waarnaar deze nieuwe wet verwijst, is zodanig verouderd, dat onderzocht wordt of dit arbeidsrecht zelf eerst aangepast moet worden, voordat handhaving van de Wet DBA opportuun is.
  • Naast DigiD komt er, na een succesvolle proefperiode, een andere manier van identificatie: iDin. iDIN is een nieuwe dienst van de banken waarmee consumenten zich bij andere organisaties online kunnen identificeren, met de inlogmiddelen van hun eigen bank.
  • Sinds 1 januari is het wettelijk mogelijk pensioen op te bouwen via een Algemeen Pensioenfonds (APF). In de loop van 2016 hebben aan aantal partijen een vergunning voor oprichting van een APF aangevraagd bij De Nederlandsche Bank.
    Een APF is een pensioenfonds dat een financieel gescheiden uitvoering van meerdere pensioenregelingen mogelijk maakt (beschikbare premieregelingen, kapitaalovereenkomsten en uitkeringsovereenkomsten). Vrijwel elke partij, behalve een verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds, kan zich omvormen tot APF.

Bron: wftnu.nl, 2 januari 2017

 

Uit elkaar, wie mag de hypotheekrente aftrekken

Uit elkaar, wie mag de hypotheekrente aftrekken

Als u uit elkaar gaat dan kunt u de hypotheekrente aftrekken, afhankelijk van de situatie. Als u 50% van de hypotheekrente aftrekt, dan kunt u niet meer hypotheekrente aftrekken dan 50% in de nieuwe situatie. Als u de volledige hypotheeklasten betaalt in de nieuwe situatie, dan moet u de andere 50% aangeven als betaalde alimentatie en op die manier realiseert u de aftrekpost. Als u minder dan de 50% betaalt, dan aangeven als ontvangen alimentatie.

Mijn aandeel in de hypotheek is 50%

Tabel                                   Hypotheekrente deel    Betaalde alimentatie deel     Ontvangen alimentatie deel
Ik betaal alle rente             50%                                        50%                                         0%

Mijn ex betaalt alle rente  50%                                        0%                                           50%
We betalen ieder de helft  50%                                        0%                                            0%
Voorbeeld
Uw aandeel in de schuld is 60%. De totale hypotheekrente is 8.000 euro. Dan mag u 4.800 euro hypotheekrente aftrekken. Betaalt u alle rente, omdat u verplicht bent om uw ex te onderhouden en u hebt afgesproken om dat op deze manier te doen? Dan trekt u 4.800 euro af als hypotheekrente, en 3.200 euro als betaalde alimentatie.
Eigenwoningforfait aangeven
U geeft het eigenwoningforfait aan voor het deel dat u eigenaar bent van het huis. Het eigenwoningforfait is een percentage van de WOZ-waarde van uw woning. Dit bedrag telt u op bij uw inkomen.
Als u voor 50% eigenaar bent, moet u 50% van het eigenwoningforfait bij uw inkomen tellen. Uw ex geeft het resterende deel aan.
Let op!
Omdat uw ex niet meer in het huis woont en er dus geen gebruik meer van kan maken, moet u de andere 50% van het eigenwoningforfait aangeven als ontvangen alimentatie.
eigenwoningforfait   forfaitaftrek betaalde alimentatie   forfait ontvangen alimentatie
Ik geef 50% aan                  Ik mag 0% aftrekken                   Ik moet 50% aangeven
Mijn ex geeft 50% aan      Mijn ex mag 50% aftrekken        Mijn ex moet 0% aangeven

Bron: belastingdienst.nl