Tussentijds opzeggen telefoonabonnement. Kosten € 3.000, –

Tussentijds opzeggen telefoonabonnement. Kosten € 3.000, –

Een kleine zelfstandige stapt over naar een andere maatschappij met nummerbehoud en daarmee met toestemming van de oude maatschappij. Volgens de algemene voorwaarden moet de kleine zelfstandige kosten betalen van, schrik niet, € 3.000, – kan dit zomaar?

Naar mijn mening niet, er is sprake van reflectwerking, dan kan de kleine ondernemer worden beschouwd als consument en er sprake van een open norm. Deze zaak is trouwens geschikt, beide partijen wilden niet procederen. Kijk goed in de “kleine lettertjes” en als het u toch overkomt, laat u juridisch adviseren.

Begunstigde en nalatenschap

Begunstigde en nalatenschap

Veel huishoudens hebben een levensverzekering of een overlijdensrisico verzekering afgesloten, om de overblijvende partner financieel goed achter te laten. Het is van groot belang om de begunstigde goed te omschrijven en af te stellen op het doel van de verzekering. Er zijn diverse mogelijkheden op fiscaal als erfrechtelijk gebied. Een goede omschrijving kan veel geld schelen en eventuele problemen met erfgenamen voorkomen.

Nalatenschap en erfenis

Een uitkering van een overlijdensrisico verzekering(ORV) kan zowel binnen de nalatenschap als buiten de nalatenschap vallen. In het geval van een ORV is er sprake van de verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde en premie betaler.

Huwelijk.

Voorbeeld 1: Rob en Marijn zijn gehuwd in gemeenschap van goederen, er is geen testament en zij hebben beide een kind uit een vorig huwelijk. Rob sluit een ORV af bij maatschappij X en Rob is de verzekeringnemer, de premiebetaler, de verzekerde en Marijn is de begunstigde. In geval van het overlijden van Rob, zal de uitkering naar Marijn gaan, zij is immers de begunstigde. In dit geval, valt de uitkering buiten de nalatenschap van Rob. Marijn heeft als begunstigde de uitkering gekregen op grond van een overeenkomst(HR: Weduwe Veltman).

De standaard begunstiging is:

  1. verzekeringnemer;
  2. echtgeno(o)t(e) of partner van de verzekeringnemer;
  3. kinderen van de verzekeringnemer;
  4. andere erfgenamen van de verzekeringnemer.
Samenwonen.

Voorbeeld 2: Rob en Marijn gaan samenwonen, er is geen testament en zij hebben beide een kind uit een vorig huwelijk. Rob heeft ten tijde van zijn huwelijk een ORV afgesloten bij maatschappij X en Rob is de verzekeringnemer, de premiebetaler en er is sprake van een standaard begunstiging. In geval van overlijden zal de uitkering naar de weduwe gaan, Er is in dit voorbeeld nu geen sprake van een weduwe. De uitkering gaat nu naar het kind van Rob. Als dit bedoeling was, is dat prima, maar als de uitkering voor de overblijvende partner was bedoeld, dan gaat het mis. Het is van belang de begunstiging aan te passen aan de gewenste situatie.

Partnerverklaring.

Veelal wordt een ORV gesloten als dekking voor een hypotheekschuld. De hypotheekverstrekker verlangt een dekking bij overlijden van een schuldenaar. De uitkering dient te worden gebruikt ter aflossing van de hypotheekschuld of een deel ervan. Dat kan d.m.v. verpanding van de uitkering aan de verzekeraar. Dat betekent dat de uitkering rechtstreeks wordt gebruikt om de hypotheekschuld te verlagen. Het kan ook via een zogenoemde partnerverklaring waarbij de overblijvende partner verklaart de verkregen uitkering te gebruiken om de hypotheekschuld daarmee te verlagen. In beide gevallen valt de uitkering buiten de nalatenschap en toch beïnvloedt het de hoogte van de nalatenschap.

In geval van verpanding aan de hypotheekverstrekker, zal de hypotheekschuld direct worden verlaagd. dit betekent een lagere hypotheekschuld en dus een hoger vermogen en daarmee nalatenschap.

In geval van een partnerverklaring krijgt de weduwe de uitkering en zij zal met die uitkering de hypotheek verlagen. Op het oog lijkt er geen verschil met de bovenstaande situatie, maar is wel degelijk een verschil. De verlaging van de hypotheekschuld wordt nu gedaan door eigen geld die de weduwe van de verzekeraar heeft gekregen, de erfgenamen krijgen daardoor een voordeel van een lagere hypotheekschuld en daardoor een hogere nalatenschap. De weduwe krijgt hierdoor een vordering op de erfgenamen ter grootte van het bedrag van de verzekeringsuitkering.

Zonder partnerverklaring.

Voorbeeld 1: Rob en Marijn zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Ze hebben een gezamenlijke woning met een waarde van € 300.000, – en hun hypotheekschuld is € 250.000, -. Het verzekerd bedrag van de ORV is € 150.000, -. De ORV is verpand aan de hypotheekverstrekker zonder partner verklaring. In het geval van overlijden van Rob, wordt de uitkering van € 150.000, – direct aangewend ter aflossing van de hypotheekschuld. De nalatenschap van Rob is dan 50% van de waarde van de woning minus de hypotheekschuld. 50%(300.000-(250.000-150.000)) is € 100.000, – Dit bedrag zal worden verdeeld aan de weduwe en kinderen.Elk een derde deel van € 100.000, -. De kinderen krijgen een vordering op Marijn op grond van de langstlevende partner en Marijn krijgt een voordeel van een lagere schuld. Marijn hoeft geen erfbelasting te betalen door de hoge vrijstelling voor gehuwden. De kinderen worden wel belast met erfbelasting.

Met partnerverklaring.

Voorbeeld 2: Rob en Marijn zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Ze hebben een gezamenlijke woning met een waarde van € 300.000, – en hun hypotheekschuld is € 250.000, -. Het verzekerd bedrag van de ORV is € 150.000, -. De ORV is verpand aan de hypotheekverstrekker met partner verklaring. In het geval van overlijden van Rob, wordt de uitkering van € 150.000, – aan Marijn uitgekeerd die op haar beurt de hypotheekschuld met deze uitkering verlaagt. De nalatenschap van Rob is dan 50% van de waarde van de woning minus de hypotheekschuld. 50%(300.000-250.000) is € 50.000, – Dit bedrag zal worden verdeeld aan de weduwe en kinderen. Elk een derde deel van € 50.000, -. De kinderen krijgen een vordering op Marijn op grond van de langstlevende partner en Marijn krijgt een voordeel van een lagere schuld. Marijn hoeft geen erfbelasting te betalen door de hoge vrijstelling voor gehuwden. De kinderen worden nu lager belast met erfbelasting over een bedrag van 1/3(50.000) i.p.v. 1/3(100.000).

Het komt erop neer dat de combinatie van verzekeren, wensen, nalatenschap en belastingen, maatwerk is. Breng de wensen en het doel goed in kaart en laat je goed adviseren.

R.E. Wilbrink, 10 februari 2017.

 

 

 

Wijzigingen per 1 januari 2017

Wijzigingen per 1 januari 2017

Op 1 januari 2017 zijn enkele wetten aangepast, die van invloed zijn op het geven van een passend financieel advies. In dit bericht geven we, met betrekking tot de module Basis, daarvan een beknopt overzicht. De komende dagen wordt de nieuwe wetgeving voor de andere modules gepubliceerd.

 

 

 

Werk en Inkomen

Wettelijk minimumloon en uitkeringsbedragen
De bruto bedragen van het wettelijk minimumloon en het minimumjeugdloon zijn per 1 januari 2017 gestegen. De meeste uitkeringen, zoals de AOW, Bijstandsuitkering en de Wajong, zijn ook gewijzigd. Deze uitkeringen zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon.

Maximum dagloon
Het maximum dagloon is verhoogd, waardoor ook de maximale uitkeringen in het kader van WW of WIA verhoogd.

Tarieven box 1

De tarieven voor de inkomstenbelasting in box 1 zijn voor 2017 als volgt:

Jonger dan AOW-leeftijd
  Belastbaar inkomen meer dan doch niet meer dan totaal tarief heffing over totaal van de schijven
Eerste schijf € 19.982 36,55% €   7.303
Tweede schijf € 19.982 € 33.791 40,80% € 12.937
Derde schijf € 33.791 € 67.072 40,80% € 26.515
Vierde schijf € 67.072   52%  
AOW-leeftijd en ouder geboren vanaf 1 januari 1946
  Belastbaar inkomen meer dan doch niet meer dan totaal tarief heffing over totaal van de schijven
Eerste schijf € 19.982 18,65% € 3.726
Tweede schijf € 19.982 € 33.791 22,90% € 6.888
Derde schijf € 33.791 € 67.072 40,80% € 20.466
Vierde schijf € 67.072   52%  
AOW-leeftijd en ouder geboren voor 1 januari 1946
  Belastbaar inkomen meer dan doch niet meer dan totaal tarief heffing over totaal van de schijven
Eerste schijf € 19.982 18,65% € 3.726
Tweede schijf € 19.982 € 34.130 22,90% € 6.965
Derde schijf € 34.130 € 67.072 40,80% € 20.405
Vierde schijf € 67.072   52%  

 

Een deel van de te betalen belasting bestaat uit premies volksverzekeringen. Het tarief voor deze premies volksverzekeringen is in totaal 27,65% (2016: 28,15%). De premies volksverzekeringen bestaan uit premies voor de AOW (17,9%), Anw (0,1%) en Wlz (9,65%). De verlaging van de premies komt geheel voor rekening van de Anw-premie (2016: 0,5%).

Wijzigingen heffingskortingen

  • De algemene heffingskorting is maximaal € 2.254 (2016: € 2.242). Voor zover het belastbaar inkomen hoger is dan € 19.982 wordt deze heffingskorting verlaagd met 4,787% (2016: 4,822%). Voor inkomens van € 67.068 of meer betekent dit dat de algemene heffingskorting nihil is.
    Als er een minder of niet verdienende partner is, kan deze de algemene heffingskorting deels zelf verkrijgen. Het percentage waarop de minst verdienende partner zelfstandig recht heeft is maximaal 40% (of wel € 902), maar nooit meer dan wat de meest verdienende partner nog als inkomstenbelasting is verschuldigd.
  • De arbeidskorting is maximaal € 3.223 (2016: € 3.103). Voor zover het belastbaar inkomen hoger is dan € 32.444 wordt deze heffingskorting verlaagd met 3,6% (2016: 4%). Voor inkomens boven de € 121.971 is de arbeidskorting nihil. Voor belastbare inkomens tot € 20.108 is de arbeidskorting lager dan het maximum.
  • De inkomensafhankelijke combinatiekorting voor inkomens vanaf € 4.895 is maximaal € 1.043 (2016: € 1.039). Voor zover het belastbaar inkomen hoger is dan € 4.895 wordt de korting verhoogd met 6,159% (ongewijzigd) tot maximaal € 2.778 (2016: € 2.769). Dit maximum wordt bereikt bij een belastbaar inkomen van € 33.065.

Kindregelingen
Voor gezinnen met kinderen zijn de volgende kindregelingen aangepast:

  • Het Kindgebonden budget is € 1.142 (2016: € 1.038) voor het eerste kind. Voor het tweede kind  is dit      € 895 (2016: € 830) en voor het derde en volgende kind € 285 (2016: € 284) per kind.
  • De Kinderopvangtoeslag is ook verhoogd. Het maximumtarief (afhankelijk van de instelling die de opvang regelt) is € 7,18 per uur (2016: € 6,89).

Wijzigingen box 3
Het forfaitaire rendement op vermogen wordt vanaf 2017 anders vastgesteld dan in de jaren van 2001 tot en met 2016. Tot en met 2016 werd uitgegaan van een rendement van 4% over het vermogen, dat tegen 30% werd belast. Vanaf 2017 wordt uitgegaan van een rendement op vermogen dat afhankelijk is van de hoogte van dat vermogen. Het uitgangspunt daarbij is dat hoe hoger iemands vermogen is, des te groter het deel is dat belegd wordt. Omdat beleggen een hoger rendement zou opleveren dan sparen, wordt het rendement voor hogere vermogens geacht ook hoger te zijn.

Het rendement op sparen wordt gesteld op 1,63%. Het rendement op beleggen wordt gesteld op 5,39%. Er geldt een vrijstelling van € 25.000 (2016: € 24.437) per belastingplichtige. Dat leidt tot de volgende staffels:

Grondslag sparen en beleggen

(na aftrek vrijstelling)

Spaardeel (1,63%) Beleggingsdeel (5,39%) Forfaitair rendement Effectieve belasting (30%)
Tot en met € 75.000 67% 33% 2,87% 0,86%
Van € 75.000 tot en met € 975.000 21% 79% 4,60% 1,38%
Vanaf € 975.000 0% 100% 5,39% 1,62%

 

Naast de eerder genoemde algemene vrijstelling, geldt een extra vrijstelling voor groene beleggingen van € 57.385 (2016: € 57.213). Ook voor een uitvaart- of overlijdensrisicoverzekering in box 3 geldt een extra vrijstelling van € 6.977 (2016: € 6.956) per belastingplichtige. Tot slot geldt er een vrijstelling van contant geld van € 522 (2016: €520) per belastingplichtige.

Schulden komen in mindering op de grondslag sparen en beleggen, waarbij de eerste € 3.000 per belastingplichtige niet als schuld telt (ongewijzigd ten opzichte van 2016).

Vanaf 2017 geldt dat verplichtingen in de vorm van kinderalimentatie niet meer kunnen worden opgegeven als schuld in box 3.

Wonen

Eigenwoningforfait
De tarieven voor de bijtelling van het eigenwoningforfait blijven ongewijzigd voor alle woningen. Ook voor woningen met een WOZ-waarde boven de € 1.060.000 blijft het bijtellingspercentage in 2017 gelijk aan dat van 2016.  

Maximale belastingtarief hypotheekrenteaftrek omlaag
Vanaf 2014 daalt het maximale belastingtarief waartegen hypotheekrente kan worden afgetrokken met 0,5%.Voor 2017 geldt een maximaal aftrekpercentage van 50%.

Extra verhoogde schenkingsvrijstelling
In 2014 was het mogelijk onbelast € 100.000 te schenken ten behoeve van de eigen woning. Sinds 1 januari 2015 is deze extra vrijstelling vervallen. In 2017 is deze echter weer verhoogd voor iedere ontvanger tussen de 18 en 40 jaar, mits hij de schenking benut voor de eigen woning.

De schenking mag bovendien worden gespreid over 3 opeenvolgende kalenderjaren.

Er geldt wel een ingewikkelde overgangsregeling: ontvangers van een schenking die al eerder een schenking hebben gekregen, kunnen hierdoor gekort worden op de vrijstelling.

Zorg

Verplicht eigen risico blijft gelijk op € 385
In 2017 bedraagt het verplicht eigen risico van de zorgverzekering € 385 (ongewijzigd). Dit eigen risico geldt voor alle verzekerden vanaf 18 jaar.

Wijzigingen zorgtoeslag in 2017
De zorgtoeslag is in 2017 maximaal € 88 (2016: € 83) per maand voor alleenstaanden en € 170 (2016: € 158) voor iedereen met een toeslagpartner. De toeslag vervalt voor alleenstaanden boven een inkomen van € 27.500 en voor partners met een gezamenlijk inkomen boven de € 35.000.

Ook boven een bepaald vermogen geldt dat er geen recht meer bestaat op zorgtoeslag.

Maximum bijdrage-inkomen Zorgverzekeringswet (Zvw) verandert
In 2017 bedraagt het maximum bijdrage-inkomen voor de Zvw op jaarbasis € 53.697 (2016: € 52.763). Het percentage inkomensafhankelijke hoge bijdrage voor de Zvw is gedaald naar 6,65% (2016: 6,75%). Verzekeringsplichtigen (lage bijdrage) zijn in 2017 5,4% (2016: 5,5%) verschuldigd over hun bijdrage-inkomen tot een maximum van € 2.899 (2016: € 2.901). Dit lagere percentage geldt onder meer voor zelfstandigen, AOW’ers, ondernemers en pensioengerechtigden.

Toekomstvoorzieningen

Verhoging AOW-leeftijd
De AOW-leeftijd wordt in stapjes verhoogd naar 67 jaar en 3 maanden in 2022. Vanaf 1 januari 2017 is de AOW-leeftijd 65 jaar en 9 maanden. Dat wil zeggen dat iedereen die is geboren na 30 juni 1951 en voor 1 april 1952 in 2017 recht krijgt op AOW.

Verhoging aftoppingsgrens lijfrente- en pensioenopbouw
Sinds 2015 is het inkomen waarover bruto pensioen of een bruto lijfrente opgebouwd kan worden gemaximeerd. Het maximum inkomen waarover bruto lijfrente- en pensioenopbouw mogelijk is, is in 2017 verhoogd tot € 103.317 (2016: € 101.519).

Verkorting duur WW-uitkering en WGA-uitkering
Sinds 2016 wordt de maximale WW-duur per kwartaal verlaagd. Tot 2016 was de maximale duur nog 38 maanden. Iemand die in het eerste kwartaal van 2017 wordt ontslagen, krijgt nog maximaal 33 maanden WW. Hetzelfde geldt voor iemand die in het eerste kwartaal van 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangt.

Aanpassing Wet Werk en Zekerheid (WWZ)
Sinds 1 januari 2015 is de WWZ (deels) in werking getreden. Een half jaar later zijn andere delen van de wet in werking getreden. Het doel van deze wet was onder meer om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken werknemers in vaste dienst te nemen. De wet blijkt echter averechts te werken. De wet is daarom op bepaalde punten aangepast in de loop van 2016. Voor de Basisadviseur is het op dit moment relevant de volgende zaken te weten:

  • Wat de ketenbepaling inhoudt
    Werkgevers kunnen werknemers een tijdelijk contract aanbieden. Na afloop van dat contract, kan worden besloten of er opnieuw een tijdelijk contract wordt aangeboden of niet. Om onzekerheid bij werknemers over verlenging van hun contract weg te nemen, geldt de ‘ketenbepaling’. Dat wil zeggen dat een werknemer automatisch in vaste dienst komt (voor onbepaalde tijd) wanneer:

    • meer dan 3 elkaar opvolgende tijdelijke contracten zijn afgesloten; of
    • langer dan 2 jaar gebruik gemaakt is van elkaar opvolgende tijdelijke contracten.
    • Wat de voorgenomen route voor ontslag is
      Voor werkgevers was er tot 1 juli 2015 soms onduidelijkheid over de te volgen route van ontslag. Sinds 1 juli zijn er twee mogelijkheden:

      • Ontslagroute via het UWV – dit kan alleen bij ontslag vanwege bedrijfseconomische omstandigheden of vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid
      • Ontslagroute via de kantonrechter – voor alle andere gevallen.
      • Wat de transitievergoeding inhoudt
        Bij ontslag is door invoering van de WWZ vastgesteld op welke ontslagvergoeding een ontslagen werknemer recht heeft. Dit heet sindsdien een transitievergoeding. Werknemers die minimaal 2 jaar in dienst zijn geweest hebben recht op een transitievergoeding (dus ook werknemers met tijdelijke contracten die dan aflopen).
        De hoogte van de transitievergoeding is afhankelijk van het aantal dienstjaren van de ontslagen werknemer. De eerste 10 jaar geldt dat de transitievergoeding 1/3e van het maandsalaris is per gewerkt jaar. Voor de jaren daarboven geldt ½ maandsalaris per dienstjaar. De maximale transitievergoeding is in 2017 € 77.000 (2016: € 76.000).

Overige relevante wijzigingen

  • Op 1 april 2016 is de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) ingegaan. Vanwege de onduidelijke en onwenselijke gevolgen van de invoering van deze wet, is handhaving van deze wet uitgesteld tot in elk geval 2018. Het arbeidsrecht waarnaar deze nieuwe wet verwijst, is zodanig verouderd, dat onderzocht wordt of dit arbeidsrecht zelf eerst aangepast moet worden, voordat handhaving van de Wet DBA opportuun is.
  • Naast DigiD komt er, na een succesvolle proefperiode, een andere manier van identificatie: iDin. iDIN is een nieuwe dienst van de banken waarmee consumenten zich bij andere organisaties online kunnen identificeren, met de inlogmiddelen van hun eigen bank.
  • Sinds 1 januari is het wettelijk mogelijk pensioen op te bouwen via een Algemeen Pensioenfonds (APF). In de loop van 2016 hebben aan aantal partijen een vergunning voor oprichting van een APF aangevraagd bij De Nederlandsche Bank.
    Een APF is een pensioenfonds dat een financieel gescheiden uitvoering van meerdere pensioenregelingen mogelijk maakt (beschikbare premieregelingen, kapitaalovereenkomsten en uitkeringsovereenkomsten). Vrijwel elke partij, behalve een verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds, kan zich omvormen tot APF.

Bron: wftnu.nl, 2 januari 2017